Zoo zij het. (Zet zich neder.)

Koningszwager (smalend).

Zoo ben je daar, oude koppelaarster, ben je daar!

Rechter.

Wel, gij zijt dus de moeder van Vasantasenâ?

Oude.

Zeker.

Rechter.

Waar is Vasantasenâ dan op dit oogenblik heengegaan?

Oude.

Naar het huis van een vriend.

Rechter.

Hoe heet haar vriend?

Oude (bij zich zelf).

Dit is toch al te beschamend. (Luid.) Dat mag wel een man uit het volk

vragen, maar niet een rechter.

Rechter.

Laat uw schaamte varen; het geding vraagt het.

Gildemeester en Griffier.

Het geding vraagt het, er steekt geen kwaad in; zeg het.

Oude.

Hoe, het geding! Luistert dan, Edelachtbaren. Hij is de kleinzoon van

den veemheer Vinayadatta, de zoon van Sâgaradatta, heilvol van

benaming, de edele Cârudatta genaamd, en woont in de wijk der

gildemeesters; daar geniet mijn meisje de vreugde van haar jeugd.

Koningszwager.

Gij hoort het, Edelen! Laten die woorden worden opgeteekend; met

Cârudatta is mijn rechtsstrijd.

Gildemeester en Griffier.

Cârudatta haar vriend! Daar steekt geen kwaad in.

Rechter.

Cârudatta is nu in het geding betrokken.

Gildemeester en Griffier.

Dat is wel zoo.

Rechter.

Dhanadatta! „Vasantasenâ is naar het huis van den edelen Cârudatta

gegaan”, dat moet ge als eerste punt van het geding opteekenen. Hoe,

zelfs de edele Cârudatta moet door ons worden ontboden! Maar neen, het

rechtsgeding ontbiedt hem. Waarde bode, ga, ontbied den edelen

Cârudatta, omzichtig, zonder hem te verschrikken of te doen ontstellen

en met de noodige onderscheiding. Zeg hem: „Daar gij ter sprake zijt

gebracht, wenscht de rechter U te zien.”

Bode.

Zooals UEd. beveelt. (Af; komt op met Cârudatta.) Volg mij, Edele.

Cârudatta (nadenkend).

Daar mij de koning volkomen

door afkomst en geaardheid kent,

Toont waarlijk deze dagvaarding

wantrouwen in mijn levenslot.

(Gissend, bij zich zelf.)

Zou ’t dan bekend zijn, dat die man, nu bevrijd van banden,

Zijns weegs gegaan, op eenen wagen door mij ontvoerd is?

Of heeft het, ziende door verspieders, de vorst vernomen,

Dat dus ik henenga, als war’ ik een aangeklaagde!

Maar kom, wat baten deze overwegingen! Laat ik naar de rechtszaal gaan.

Waarde bode, wijs mij den weg naar het gerecht.

Bode.

Het leemen wagentje: Indisch tooneelspel uit Sanskṛt en Prākṛt in het Nederlandsch vertaald · 第 101 / 131 题