Slaaf.
Zij, zij.
Vidûshaka.
Slavinnenzoon, wat zegt ge toch, als, in tijden van hongersnood, een
oude bedelaar, steeds: sâ, sâ.
Slaaf.
Wel, en gij zegt als een kraai, naar Indra’s feest begeerig†, steeds:
kâ, kâ.
Vidûshaka.
Vertel dan.
Slaaf (bij zich zelf).
Kom, zoo zal ik spreken. (Luid.) Wel, ik zal je een vraag doen.
Vidûshaka.
En ik zal mijn voet op je kop zetten.
Slaaf.
Wel, ge moet het daardoor te weten komen; in welk jaargetijde botten de
mango’s?
Vidûshaka.
Wel, slavinnenzoon, in den Grîshma (zomer).
Slaaf (lachend).
Wel neen, wel neen.
Vidûshaka (bij zich zelf).
Wat zal ik dan zeggen? (Denkt na.) Kom, ik zal het aan Cârudatta gaan
vragen. (Luid.) Nu, wacht een oogenblikje. (Gaat tot Cârudatta.) Wel,
vriend, ik moet U eens vragen, in welk jaargetijde botten de mango’s?
Cârudatta.
Dwaas, in den Vasanta (lente).
Vidûshaka (tot den slaaf gaande).
Dwaas, in den Vasanta.
Slaaf.
Ik zal U een tweede vraag doen. Wie bewaakt de welvarende dorpen?
Vidûshaka.
Wel, de Rakshâ (stadswacht).
Slaaf (lachend).
Wel neen, wel neen.
Vidûshaka.
Nu, ik ben aan het twijfelen geraakt. (Denkt na.) Kom, ik zal het weer
aan Cârudatta vragen. (Keert weer naar Cârudatta terug en zegt het
hem.)
Cârudatta.
Vriend, de Senâ (het leger).
Vidûshaka (tot den slaaf gaande).
Wel, slavinnenzoon, de Senâ.
Slaaf.
Voeg nu die twee te zamen, en spreek ze vlug uit.
Vidûshaka.
Senâvasanta.
Slaaf.
Neen, ge moet ze omgekeerd zeggen.
Vidûshaka (zich omkeerend).
Senâvasanta.
Slaaf.