Koningszwager.
Maar neen, wacht eens! Behoort de wagen aan uw vader, dat gij hem het
eerst bestijgt. Ik, de eigenaar van den wagen, bestijg hem het eerst.
Hoveling.
U zegt het zelf.
Koningszwager.
Ook al spreek ik zoo, toch moest gij de beleefdheid hebben te zeggen:
„Mijn Heer bestijge den wagen.”
Hoveling.
UEd. bestijge den wagen.
Koningszwager.
Nu zal ik hem bestijgen. Zoontje, Sthâvaraka, slaaf, keer den wagen.
Slaaf (keerend).
Stijg op, groote Heer.
Koningszwager (legt, wanneer hij den wagen heeft bestegen en bezien,
schrik aan den dag, klimt haastig af en valt den hoveling om den hals).
Meester, Meester, ge zijt verloren, ge zijt verloren! In den wagen
huist een râkshasî* of een dief. Is het een râkshasî, dan worden wij
beiden bestolen; is het een dief, dan worden wij beiden opgegeten.
Hoveling.
Vrees niet, vrees niet! Hoe zou nu in een stierenwagen een râkshasa
komen? Ik vrees, dat, daar uw oog door den gloed der middagzon is
verblind, gij zoo zijt ontsteld bij het zien van de schaduw en het
pantser van Sthâvaraka.
Koningszwager.
Zoontje, Sthâvaraka, slaaf, leeft ge nog?
Slaaf.
Zeker.
Koningszwager.
Meester, er huist een vrouw in den wagen; onderzoek hem dus.
Hoveling.
Hoe, een vrouw!
Laat snel ons henenloopen met gebogen hoofd,
Als stieren, wien op weg regen in d’oogen slaat;
Want daar mij achting onder menschen dierbaar is,
Mijn oog den aanblik van een wèlgeboor’ne vreest.
Vasantasenâ (verbaasd, bij zich zelf).
Hoe, die kwelling mijner oogen, de koningszwager! Dan ben ik in gevaar,
ik ongelukkige. Nu is van mij, rampzalige, de komst hier vruchteloos
geworden, gelijk een handvol zaad, gevallen op zilten grond. Wat zal ik
nu doen?
Koningszwager.
Wel, die oude ever is bang; hij onderzoekt den wagen niet. Meester,
onderzoek den wagen.
Hoveling.
Wat kwaad? Komaan dan!
Koningszwager.
Hoe, de jakhalzen vliegen op, de kraaien loopen heen; laat ik dan,
terwijl de Meester met oogen wordt gegeten en met tanden wordt gezien,
de vlucht nemen.
Hoveling (Vasantasenâ ziende, ontsteld, bij zich zelf).
Hoe nu, de hinde komt† tot den tijger! Helaas!
Den zwaan, de herfstmaan gelijkend,
op ’t eiland rustend in den stroom,
Heeft nu zijn wijfje verlaten,
en zich begeven tot den kraai.
(Zacht tot Vasantasenâ.) Vasantasenâ, dat is niet gepast, noch ook is
dit voegzaam.
Eerst hem uit hoogmoed versmadend,—
om geld en door uw moeders wil.
Vasantasenâ.