Onzin spreekt ge.†

Rechter.

Edele Cârudatta, genoeg daarvan! Spreek waarheid; is de hetaere uw

vriendin?

Cârudatta.

Ja, zoo is het.

Rechter.

Edele, waar is Vasantasenâ?

Cârudatta.

Naar huis gegaan.

Gildemeester en Griffier.

Hoe gegaan? wanneer gegaan? en door wien begeleid?

Cârudatta (bij zich zelf).

Moet ik zeggen: „Zij is heimelijk gegaan”?

Gildemeester en Griffier.

Edele, spreek.

Cârudatta.

Zij is naar huis gegaan; wat zal ik meer zeggen?

Koningszwager.

In het oude park Pushpakarandaka, dat mij behoort, hebt gij haar

gebracht, en om haar beetje geld met des armstriks gewelddadigheid

gedood, en nu zegt ge: „Zij is naar huis gegaan.”

Cârudatta.

Gij, met uw ongerijmde taal!

Gij zijt door ’t water niet besprenkeld der regenwolken;

Nochtans des câsha’s* vleugelpunten geheel gelijkend,

Komt dit uw aangezicht intusschen vergeefs, Geachte!

Gelijk een lotus in den winter, tot glanzeloosheid.†

Rechter (zacht tot gildemeester en griffier).

Der bergen koning* opheffen,

’t doorklieven van den Oceaan,

Ja, met de hand den wind grijpen,

is Cârudatta’s lastering!

(Luid.) Het is immers de edele Cârudatta; hoe zou hij een misdaad

bedrijven?

Met oogen, breed tot in de hoeken, van neus verheven,

Is dit gelaat geen vat van zonden, die reden missen.

Bij koeien, olifanten, paarden en ook bij menschen

Verloochent ’t uiterlijk den aard niet, daaraan gelijkend.

Koningszwager.

Waarom wordt de rechtszaak zoo partijdig onderzocht?

Rechter.

Ga heen, dwaas!

Gij, lage man, spreekt van den zin der Veda’s

en nog niet uitgevallen is uw tong!

Op ’t midden van den dag ziet gij de zon aan

en niet terstond is uw gezicht verblind!

In vlammend vuur waagt gij de hand te steken

en zij verbrandt niet ’t eigen oogenblik!

Van goeden naam berooft gij Cârudatta

en zie, d’aarde verslindt uw lichaam niet!

Hoe zou de edele Cârudatta een misdaad bedrijven?

Hij, die der zee slechts had gelaten der wat’ren rijzing,*

Zijn schatten, zonder ze te tellen, heeft weggeschonken,

Hoe zou die voorraadsschuur van deugden, die hooggezinde,

Om geld een euveldaad bedrijven, een vijand haatlijk!

Koningszwager.

Waarom wordt de rechtszaak zoo partijdig onderzocht?

Oude.

Nietswaardige, die man, die, daar een goudkistje, dat hem was

toevertrouwd, des nachts door dieven was gestolen, daarvoor een

paarlensnoer geeft, het puik der vier oceanen, die zou nu, ter wille

van geld, dat misdrijf bedrijven! Ach zoon! Kom toch, mijn dochter!

(Zij weent.)

Rechter.

Edele Cârudatta, is zij te voet gegaan of met een wagen?

Cârudatta.

Zij is immers niet in mijn bijzijn gegaan. Dus weet ik niet, of zij te

voet gegaan is of met een wagen.

Vîraka (opkomend, wrevelig).

Nu ’k door des voetstoots hoon en smaad

een zware veet’ had opgevat,

Is deze kommervolle nacht,

hoe ook, tot lichten dag gemaakt.

Laat ik mij naar de rechtszaal begeven. (Met het gebaar van

binnentreden.) Geluk, Edelachtbaren.

Rechter.

Wel zie, de hoofdman der stadswacht Vîraka! Vîraka, wat is de reden van

uw komst?

Vîraka.

Wel, toen ik in de verwarring bij zijn ontsnapping ′Aryaka achtervolg

en daar er een gesloten wagen rijdt, overleg, hem achtervolg en zeg:

„Wel, hij is door U gevisiteerd, hij moet ook door mij gevisiteerd

worden”, toen ben ik door Candana, den overste, met den voet gestooten.

Nu gij dit gehoord hebt, staat aan U, Edelachtbaren, de beslissing.

Rechter.

Mijn waarde, weet ge, van wien die wagen was?

Vîraka.

Van dezen, den edelen Cârudatta. „Vasantasenâ bevindt zich er in en

wordt naar het oude park Pushpakarandaka gevoerd om zich te vermeien”,

zoo is door den voerman gesproken.

Koningszwager.

Hebt gij ’t wederom gehoord, Edelachtbaren?

Rechter.

Ach, verslonden wordt door Râhu*

die maan van vlekkeloozen schijn.

Door nederstorting des oevers

het klare water wordt bevuild.

Vîraka, later zullen wij hier uw zaak onderzoeken. Bestijg het paard,

dat aan de deur van de rechtszaal staat, ga naar het oude park

Pushpakarandaka en zie, of daar een omgekomen vrouw is of niet.

Vîraka.

Zooals UEd. beveelt (Af; weder opkomend.) Ik ben gegaan en heb er het

lijk van een vrouw gezien, dat door de roofdieren verscheurd werd.

Gildemeester en Griffier.

Hoe weet ge, dat het ’t lijk van een vrouw was?

Vîraka.

Dat heb ik gezien aan hetgeen over was van de haren, de armen, de

handen en de voeten.

Rechter.

Ach, hoe lastig is in de wereld† de rechtsspraak!

Hoe meer, hoe meer dit nauwgezet wordt nagegaan,

hoe meer, hoe meer bezwaarlijk het bevonden wordt;

De rechtsgeleerdheid is volkomen uitgeput,

’t verstand beklemd zit als een koe in een moeras.

Cârudatta (bij zich zelf).

Als op een bloem zich, bij haar eerst ontluiken,

de bijenzwermen storten om te drinken,

Zoo bij een man ook in den tijd van onheil

vermeerd’ren met de leemten zich de rampen.†

Rechter.

Edele Cârudatta, gij moet waarheid spreken.

Cârudatta.

Wat een boosaardig man, afgunstig op anders deugden,

Door haat verblind en hier ten zeerste gezind tot moordlust,

Wat, door de schuld van zijn geboorte, hij valsch’lijk aanbrengt,

Moet dat dan aangenomen worden en niet betwijfeld?†

En ook:

Ik, die zelfs nimmer een liane, getooid met bloesem,

Tot mij zal trekken om de bloem en den bloesem plukken,

Hoe dan, ’t als bijenvleug’len glanzend, heel-lange hoofdhaar

Aangrijpend, zoude ik een weenende vrouwe dooden?

Koningszwager.

Welnu, heeren van het gerecht, wat onderzoekt gij de zaak zoo

partijdig, dat nog steeds die nietswaardige Cârudatta op een zetel mag

blijven zitten?

Rechter.

Het leemen wagentje: Indisch tooneelspel uit Sanskṛt en Prākṛt in het Nederlandsch vertaald · 第 108 / 131 题