Radanikâ (loopt heen, ontsteld).
O wee, o wee! er is in ons huis ingebroken en de dief loopt daar weg.
Kom, ik zal Maitreya gaan wekken. (Tot den Vidûshaka gaande.) Edele
Maitreya, sta op, sta op! in ons huis is de muur doorgebroken, en de
dief is weggeloopen.
Vidûshaka (opstaande).
O slavinnendochter, wat zegt ge? er is een dief doorgebroken en de muur
is weggeloopen?†
Radanikâ.
Ongelukkige, houd op met uw spot; ziet ge dit dan niet?
Vidûshaka.
O slavinnendochter, wat zegt ge? Er is als ’t ware een tweede deur
geopend!† Hé, vriend Cârudatta, sta op, sta op! Er is in ons huis
ingebroken en de dief is weggeloopen.
Cârudatta.
Komaan nu, houd op met uw spot.
Vidûshaka.
Wel, het is geen spot, zie maar.
Cârudatta.
Op welke plaats dan?
Vidûshaka.
Wel, hier!
Cârudatta (toeziende).
O, hoe sierlijk is die opening!
De tegels op den bodem neergeworpen,†
Is zij van boven smal en breed in ’t midden;
Uit vrees van laaggeboornen aan te raken,
Schijnt van het groote huis het hart gebarsten!
Hoe, zelfs bij dit werk toont men kunstvaardigheid!
Vidûshaka.
Maar, vriend, deze opening moet gemaakt zijn door één van beiden, òf
door een vreemdeling òf door iemand, die zich wilde oefenen. Overigens
wie hier in Ujjayinî kent niet den rijkdom van ons huis?
Cârudatta.
Een vreemd’ling zou die op’ning hebben aangebracht,
één, die ’t bedrijf leeren wil?
Hij wist dan niet, dat wie van rijkdom is beroofd
een rustigen slaap geniet,†
Toen d’aanzienlijken bouw hij zag van ons verblijf,
aanvank’lijk met hoop vervuld,
Is hij, na door de inbraak lang te zijn vermoeid,
teleurgesteld heengegaan.
En wat zal die ongelukkige dan wel aan zijn vrienden vertellen? „In het
huis van den veemheerszoon ben ik binnengegaan en ik heb er niets
gevonden.”
Vidûshaka.
Hoe nu, dien verwenschten dief beklaagt ge nog! Hij heeft gedacht: „Dit
is een groot huis, hier zal ik een juweelenkistje of een goudkistje
uitdragen.” (Zich herinnerend, ontsteld bij zich zelf.) Waar is het
goudkistje? (Zich weder herinnerend, luid.) Nu, vriend, ge zegt altijd:
„Die domme Maitreyaka, die onverstandige Maitreyaka!” maar nu heb ik
toch goed gedaan met het goudkistje aan U te overhandigen, anders zou
het door den slavinnenzoon zijn meegenomen.
Cârudatta.
Houd op met uw spot.
Vidûshaka.
Maar, al ben ik dan ook een dwaas, zou ik daarom niet weten, wat de
tijd is voor spotternij?
Cârudatta.
Maar wanneer dan?
Vidûshaka.
Toen ik tot U zeide: „Uw vingers zijn koud.”
Cârudatta.
Dat zal dan wel zoo zijn. (Na overal te hebben gezocht, verheugd.)
Vriend, Goddank, ik heb u iets verblijdends te berichten.
Vidûshaka.
Wat, is het niet gestolen?
Cârudatta.
Het is gestolen.
Vidûshaka.
Wat is er dan verblijdends?
Cârudatta.
Dat die man niet onverrichter zake is heengegaan.
Vidûshaka.
Het was ons immers toevertrouwd.
Cârudatta.