Hier ben ik, neem dit. (Toont het paarlensnoer.)

Cârudatta.

Wat is dat?

Vidûshaka.

Wel, vriend, het is het loon daarvoor, dat ge een vrouw ten huwelijk

naamt, die uwer waardig is.

Cârudatta.

Hoe, de Brahmaansche ontfermt zich mijner. Ach, thans ben ik eerst arm!

Wiens goed door eigen lot heenging,

wie deernis vindt bij ’t goed der vrouw,

Die man is vrouw in werk’lijkheid,

die vrouw in werk’lijkheid een man!

Maar neen, ik ben niet arm; want ik bezit:

’n Vrouw, tegen rijkdom opwegend,

en U, in lief en leed een vriend,

En niet te loor ging d’eerlijkheid,

die moeilijk men bij armen vindt.

Maitreya, ga met dit paarlensnoer naar het huis van Vasantasenâ en zeg

haar uit mijn naam: „Daar wij het goudkistje, in goed vertrouwen als

ons eigen beschouwende, bij het spel hebben verloren, moet ge in plaats

daarvan dit paarlensnoer aannemen.”

Vidûshaka.

Maar ge wilt toch niet voor iets, dat we niet hebben verteerd, dat we

niet hebben opgegeten, iets van weinig waarde, dat door de dieven is

meegenomen, een paarlensnoer geven, het puik der vier oceanen!

Cârudatta.

Vriend, spreek niet aldus!

Daar zij, geloof in ons stellend,

haar sieraad ons heeft toebetrouwd,

Wordt voor dat groote vertrouwen,

dit als belooning haar vereerd.

Dus, vriend, met aanraking van mijn lichaam bezweer ik U, keer hier

niet terug, vóór gij haar bewogen hebt, het aan te nemen. Vardhamânaka,

maak spoedig met deze tegels de opening weer goed dicht. Ik wil des

vorsten wachters ontwijken, wier gebreken veelal worden gelaakt.†

Vriend Maitreya, ge moet niet erbarmelijk, maar met zelfvertrouwen

spreken.

Vidûshaka.

Wel, spreekt een arme dan niet erbarmelijk?

Cârudatta.

Ik ben niet arm, vriend, want ik bezit:

’n Vrouw, tegen rijkdom opwegend,

en U, in lief en leed een vriend,

En niet te loor ging d’eerlijkheid,

die moeilijk men bij armen vindt.

Ga dus. Ik zal intusschen, na volbrachte reiniging, de Morgenschemering

vereeren.* (Allen af.)

Aldus in „Het leemen Wagentje”

het derde Bedrijf,

„De Inbraak”

genaamd.

Het leemen wagentje: Indisch tooneelspel uit Sanskṛt en Prākṛt in het Nederlandsch vertaald · 第 56 / 131 题