Cândâla (bevreesd nader komend).
Hoe, Vasantasenâ! Hij is dus wel terecht† niet door ons omgebracht!
Bedelmonnik (opstaande).
Zie, de edele Cârudatta leeft.
Cândâla.
Hij leve honderd jaar!
Vasantasenâ (verheugd).
Ik ben herleefd.
Cândâla.
Laten wij het gebeurde aan den koning melden, die zich in den offertuin
bevindt. (Zij gaan heen.)
Koningszwager (Vasantasenâ ziende, bevreesd).
O wee, wie heeft die slavinnendochter doen herleven? Het is met mij
gedaan. Komaan, ik ga op de vlucht. (Hij gaat op de vlucht.)
Cândâla.
Welnu, luidt niet des konings bevel aan ons: „Brengt hem ter dood, door
wien deze hetaere is omgebracht”?† Laat ons dus den koningszwager
zoeken. (Af.)
Cârudatta (verbaasd).
Wie is zij,
Die, terwijl ’t zwaard was geheven,
’k mij in den muil des Doods bevond,
Gelijk, als droogte ’t graan teistert,
een regenbui—verschenen is!
(Haar aanziende.)
Is dit een andere Vasantasenâ,
is zij het zelf, verschenen uit den hemel,
Of ziet mijn geest haar slechts in zijn verbijst’ring,
of is Vasantasenâ nog in leven?
En toch:
Is z’uit den hemel, mijn leven
willende redden, weergekeerd,
Of is ’t, in vorm haar gelijkend,
een ander, die verschenen is?
Vasantasenâ (onder tranen opstaande en hem te voet vallend).
Edele Cârudatta, ik ben het zelf, de slechte, om wie gij in dezen
onwaardigen toestand zijt geraakt.
Achter het tooneel.