Slavin (opkomend).
Door haar moeder is mij gelast, tot de Jonkvrouw te gaan. Daar staat de
Jonkvrouw met Madanikâ iets te bespreken, terwijl zij den blik op een
portret laat rusten. Laat ik nader gaan. (Gaat het tooneel rond. Dan
treedt Vasantasenâ met Madanikâ op, in den aangeduiden toestand.)
Vasantasenâ.
Meisje Madanikâ, is dit portret van den edelen Cârudatta goed
gelijkend?
Madanikâ.
Zeer gelijkend.
Vasantasenâ.
Hoe weet ge dat?
Madanikâ.
Doordat het oog der Jonkvrouw er zóó vol liefde op is gevestigd.
Vasantasenâ.
Meisje, spreekt ge aldus uit die vriendelijkheid, Madanikâ, die het
bordeel eigen is?
Madanikâ.
Jonkvrouw, is de vriendelijkheid dan valsch van hen, die in een bordeel
wonen?
Vasantasenâ.
Meisje, door den omgang met verschillende mannen moet de
vriendelijkheid van hetaeren wel valsch worden.
Madanikâ.
Daar nu het oog der Jonkvrouw zich hier verlustigt en ook haar hart,
wat behoeft men dan nog naar de oorzaak daarvan te vragen?
Vasantasenâ.
Meisje, ik wil mij hoeden voor de bespotting van mijn vriendinnen.
Madanikâ.
Jonkvrouw, die behoeft ge niet te vreezen. Vrouwen gevoelen mede met
haar vriendinnen.
De vorige slavin (nader komend).
Jonkvrouw, uw moeder laat U weten: „Een gesloten wagen staat voor de
zijdeur gereed; ga dus.”
Vasantasenâ.
Meisje, laat de edele Cârudatta mij afhalen?
Slavin.
Jonkvrouw, hij, die U met dien wagen sieraden ter waarde van
honderdduizend suvarna’s zendt.....
Vasantasenâ.
Wie is dat dan?
Slavin.
Is niemand anders dan des konings zwager Samsthânaka.
Vasantasenâ (toornig).
Ga heen, opdat ge niet weer zoo moogt spreken.
Slavin.
Vergeef mij, vergeef mij, Jonkvrouw, met die boodschap ben ik gezonden.
Vasantasenâ.
Juist om die boodschap ben ik boos.
Slavin.
Wat moet ik dan uw moeder antwoorden?
Vasantasenâ.
Ge moet dit antwoorden, dat, indien zij wenscht, dat ik leef, mijn
moeder mij niet weer zulk een bevel moet zenden.
Slavin.