(Vasantasenâ ziet hem aan met verliefden blik en treedt af.)
Cârudatta.
Vriend, Vasantasenâ is gegaan. Komaan dan, laten we naar huis
terugkeeren;
Want de heirweg is verlaten
en de stadswachters zwerven rond;
Hoeden wij ons voor misduiding,*
want vol van boosheid is de Nacht.
(Gaat het tooneel rond.) Dit goudkistje moet gij des nachts bewaren en
Vardhamânaka over dag.
Vidûshaka.