Zoo zal zij als een pand onder mijn handen blijven.†

Hoveling.

In waarheid?

Koningszwager.

In waarheid.

Hoveling (een eind weegs gegaan zijnde).

Maar neen, wanneer ik gegaan ben, zou de laaghartige haar kunnen

dooden; dus zal ik mij verbergen en eens zien, wat zijn bedoeling is.

(Blijft ter zijde staan.)

Koningszwager.

Kom, ik zal haar dooden. Maar neen, die listige Brahmaan, de oude ever,

heeft zich mogelijk verborgen en zal als een jakhals gaan janken. Laat

ik dan, om hem te misleiden, zóó doen. (Plukt bloemen en tooit zich.)

Meisje, meisje, Vasantasenikâ, Vasantasenikâ, kom eens hier.

Hoveling.

Kijk, hij is verliefd geworden. Komaan, ik ben gerustgesteld, ik ga.

(Af.)

Koningszwager.

Goud geef ik, vriend’lijk spreek ik,

met hoofd en tulband val ik voor U neder,

En toch, o reingetande,

wilt gij mij niet. Zijn dan van hout wij, mannen?

Vasantasenâ.

Wat valt hier te twijfelen! (Met neergebogen gelaat, zegt zij de beide

strofen: „Gij, bron van kwaad” enz.)

Gij, bron van kwaad, verlaagd door schelmsche daden,†

Wat zoekt ge hier met geld mij te verlokken!

Den lotus, rein van lijf, van zeden zuiver,

Verlaten immers niet de honingdrinkers.

Met zorgzaamheid te dienen is de man

van ed’len stam en aard, al is hij arm;

Van veile vrouwen is toch ’t ware schoon

een liefde, die bij waardigen verwijlt.

En bovendien. Daar ik een mango-boom heb bezocht, zal ik geen

palâça-boom genegen zijn.

Koningszwager.

Slavinnendochter, den armoedigen Cârudattaka maakt ge tot een

mango-boom, en mij noemt ge een palâça, niet eens een kimçuka*! Dus,

terwijl ge mij beschimpt, denkt ge nog steeds aan hem, aan Cârudattaka!

Vasantasenâ.

Hoe zoud’ ik niet aan hem denken, daar hij in mijn hart woont!

Koningszwager.

Als hij nog steeds in uw hart woont, zal ik hem en tevens U verworgen.

Wacht dan, minnares van een armoedigen veemheer-man!

Vasantasenâ.

Zeg, zeg nog eens die lofwaardige woorden.

Koningszwager.

Laat nu de slavinnenzoon U beschermen, de armoedige Cârudattaka.

Vasantasenâ.

Hij zou mij beschermen, als hij mij zag.

Koningszwager.

Is hij dan Çakra, Vâlin’s zoon Mahendra?

Of Kâlanemi Rambhâ’s zoon, Subandhu?

Of koning Rudra, Drona’s zoon Jatâyu?

Triçanku, Dhundhumâra of Cânakya?*†

Maar neen, zelfs dezen zullen U niet redden.

Zooals Sîtâ door Cânakya, stierf in den tijd der Bharata,

Zoo ook zal ik U verworgen, gelijk Jatâyu Draupadî.*

(Hij wil haar slaan.)

Vasantasenâ.

Ach, moeder, waar zijt gij? Ach, edele Cârudatta, vóór nog mijn

hartewensch vervuld is, word ik hier omgebracht. Laat ik dan luid

schreeuwen. Maar neen, zoo men zeide: „Vasantasenâ schreeuwt luid”, dit

ware immers schandelijk. Eere den edelen Cârudatta!

Koningszwager.

Nog steeds noemt de slavinnendochter den naam van dien booswicht. (Haar

bij den hals drukkend.) Denk aan hem, slavinnendochter, denk aan hem!

Vasantasenâ.

Eere den edelen Cârudatta!

Koningszwager.

Sterf, slavinnendochter, sterf! (Doet of hij haar, bij den hals

drukkend, doet sterven; Vasantasenâ valt bewusteloos, roerloos.)

Koningszwager (verheugd).

Dit zondemandje, deze booze feeks,

die een verblijf was van losbandigheid,

Die, op dien gast verliefd, op liefde zich

vergasten kwam en kwam te rechter tijd—

Wat is het noodig, dat ik thans gewaag

van mijner armen eigen heldenmoed!

Reeds door mijn adem sterft zij, z’is goed-dood†

als Sîtâ in het Mahâbhârata.

Daar zij mij, haar begeerend, niet begeert,

is de hetaere door mijn toorn gedood.

In ’t eenzaam park Pushpakarandaka

is zij zoo plots’ling met een strik

verschrikt†.

Hij, die zijn broers bedroog, mijn vader is,

gelijk mijn moeder is die Draupadî,†

Daar hij niet heeft aanschouwd van zijnen zoon

zulk eenen vastberaden heldenmoed.

Kom, aanstonds zal de oude ever terugkeeren, daarom houd ik mij op een

afstand. (Doet aldus.)

Hoveling.

Ik heb den slaaf Sthâvaraka tevredengesteld. Laat ik dus naar den

Bastaard uitzien. (Gaat het tooneel rond en ziet hem.) Wel zie, op den

weg is hij op de knieën neergevallen. En in zijn val heeft hij de vrouw

omgebracht. O booswicht, is dan die misdaad door U bedreven? En door uw

val, slechtaard, zijn ook wij door het zien van vrouwenmoord maar al te

zeer ten val gebracht. Een slecht voorteeken is dit. In waarheid, voor

Vasantasenâ is mijn geest beducht. Mogen nochtans de Goden het ten

goede keeren.† (Tot den koningszwager gaande.) Bastaard, zooals ge

ziet, heb ik den slaaf Sthâvaraka tevredengesteld.

Koningszwager.

Meester, wees welkom; zoontje Sthâvaraka, slaaf, wees ook gij welkom.

Slaaf.

Zoo zij het.

Hoveling.

Breng mij mijn pand.

Koningszwager.

Welk pand?

Hoveling.

Vasantasenâ.

Koningszwager.

Ze is gegaan.

Hoveling.

Waarheen?

Koningszwager.

U achterna, Meester.

Hoveling (wantrouwend).

Zij is toch niet in deze richting gegaan?

Koningszwager.

In welke richting zijt gij gegaan?

Hoveling.

In oostelijke richting.

Koningszwager.

En zij is gegaan in zuidelijke.

Hoveling.

Ik in zuidelijke.

Koningszwager.

En zij in noordelijke.

Hoveling.

Zeer verward spreekt ge, mijn gemoed komt niet tot helderheid, zeg dan

de waarheid.

Koningszwager.

Ik zweer bij uw hoofd, Meester, met mijn eigen voeten, stel dan uw hart

gerust, zij is gedood.

Hoveling (ontsteld).

Is zij in waarheid door U omgebracht?

Koningszwager.

Indien ge mijn woord niet gelooft, zie dan de eerste heldendaad van des

konings zwager Samsthânaka. (Toont hem Vasantasenâ.)

Hoveling.

Het leemen wagentje: Indisch tooneelspel uit Sanskṛt en Prākṛt in het Nederlandsch vertaald · 第 93 / 131 题