Vanwaar toch is zij, den boezem
badend in stroomen tranenvocht,
Gelijk de Wijsheid† verschenen
mij, in de macht des Doods geraakt!
Geliefde Vasantasenâ!
Om uwentwil ten doode prijsgegeven,
is dit mijn lichaam ook door U behouden;
O macht van der gelieven samenkomen!
een doode zelfs zoude voorwaar herleven.†
En ook, geliefde, zie!
Dit rood’ een bruidegoms gewaad schijnt, en deze bloemkrans
Schijnt, door de komst van de geliefde, de krans eens bruigoms,†
En evenzoo zijn deze klanken der doodentrommel
Thans aan der bruiloftstrommel klanken gelijk geworden.
Vasantasenâ.
Wat heeft UEd. hier door al te groote edelmoedigheid bewerkt!
Cârudatta.
Geliefde! zeggende, dat gij door mij waart gedood,
Heeft mij een machtige vijand,
die reeds met mij in veete was,
Hij, die ter helle zal varen,
op weinig na ten val gebracht.
Vasantasenâ (de ooren dichtstoppend).
Dat kwaad zij verre! Door hem ben ik omgebracht, door den
koningszwager.
Cârudatta (den bedelmonnik ziende).
En wie is deze?
Vasantasenâ.
Door dien onedele omgebracht, heeft deze edele mij doen herleven.
Cârudatta.
Wie zijt gij, zonder oorzaak een vriend?
Bedelmonnik.
UEd. herkent mij niet? Ik ben immers de wrijfmeester van UEd., bedreven
in het wrijven der voeten; door spelers gegrepen, ben ik door deze
Dienstmaagd, als UEd. toebehoorend, met een sieraad losgekocht. En door
die vertwijfeling, waartoe het spel mij bracht, ben ik monnik van den
Çâkya geworden. Deze edele, door een verwisseling der wagens in het
oude park Pushpakarandaka gekomen, is door dien onedele—„Gij acht mij
niet veel” zeide hij—door des armstriks gewelddadigheid gedood.†
Achter het tooneel (rumoer).
Hij overwint, Hij-met-den-stierenvaan, Stoorder van Daksha’s offer;
Dan overwint de Splijter, Die-met-zes-gezichten, Kraunca’s Vijand;
Dan overwint† geheel de wijde aarde, wier banier de blanke
Kailâsa is, ′Aryaka, die den sterken vijand nedervelde.*
(Çarvilaka komt haastig op.)
Çarvilaka.
Nu ik dien slechten koning Pâlaka verslagen
En tot zijn koningschap snel ′Aryaka gezalfd heb,
Zal ik, zijn laatst† bevel eerbiediglijk aanvaardend,
Thans Cârudatta, die in rampspoed is, bevrijden.
Toen hij dien schelm, van heir en vriend verlaten,
Geveld, de burgers zeer gerustgesteld had,
Heeft hij geheel ’t bewind des lands verworven,
’s Vijands bewind: ’t bewind eens Godenhaters*.
(Naar voren ziende.) Komaan, hij moet zich daar bevinden, waar die
verzameling van volk is. Moge toch dit begin van ′Aryaka’s heerschappij
vrucht dragen door het leven van Cârudatta. (Haastiger nader komend.)
Gaat op zij, schelmen! (Hem ziende, verheugd.) Zie†, Cârudatta is nog
in leven met Vasantasenâ; dan zijn de hartewenschen van onzen meester
vervuld.
Goddank! aan eenen eindeloozen Oceaan van ramp
Ontkomen door de liefste, hooggezind, door deugd bewaard,†
Als door een schip, ten langen lest’ ik hem aanschouw,
Als de maan rijk aan schijnsel, van verduistering bevrijd.
Maar ik, die een groote zonde bedreef, hoe zal ik hem wel naderen? Maar
kom! Oprechtheid is altijd goed. (Hem openlijk naderend met opgeheven
handen.) Edele Cârudatta!
Cârudatta.
Wie is toch deze achtenswaardige?
Çarvilaka.
Ik, die uw huis heb verbroken, ’t U toevertrouwde pand ontroofd,
Ik, aan een hoofdzonde schuldig, ga U thans om bescherming aan.
Cârudatta.
Vriend, niet aldus! Gij hebt mij daardoor vertrouwen betoond. (Omhelst
hem.)
Çarvilaka.
En nog dit:
′Aryaka, edel van wandel, behouder van zijn stam en eer,
Heeft, als een rund, bij het offer den boozen Pâlaka geveld.
Cârudatta.
Wat?
Çarvilaka.
Die op uw wagen geklommen, te voren uw bescherming zocht,
Als een rund, bij ’t bereid’ offer heeft hij thans Pâlaka geveld.
Cârudatta.
Çarvilaka, is dat die ′Aryaka, die door Pâlaka van het veepark
heengevoerd, zonder reden in den toren werd opgesloten en door U
bevrijd?
Çarvilaka.
Gelijk UEd. gezegd heeft.
Cârudatta.
Dat is ons lief, zeer lief.
Çarvilaka.
Nauwelijks te Ujjayinî in zijn heerschappij bevestigd, heeft uw vriend
′Aryaka U het koningschap verleend aan den oever der Venâ te Kuçâvatî.
Aanvaard dan dit eerste blijk van genegenheid van uw vriend. (Zich
omwendend.) Hé daar, brengt dien booswicht hier, den valschen
koningszwager.
Achter het tooneel.
Zooals Çarvilaka beveelt!
Çarvilaka.
Edele, koning ′Aryaka doet U dit weten: „Ik heb door uwe deugden het
koningschap verworven; dus moet gij het aannemen.”
Cârudatta.
Door onze deugden het koningschap verworven!
Achter het tooneel.
Hé daar, koningszwagertje, kom hier, kom hier! Geniet de vrucht van uw
schanddaden. (Dan komt de koningszwager op, door stadswachters bewaakt,
de armen op den rug gebonden.)
Koningszwager.
O wee!
Ofschoon ver weggeloopen als een losgebroken ezel,
Ben ’k hier gebracht, gebonden als een lage en gemeene† hond.
(Naar alle kanten ziende.) Rondom is de koningszwager ingesloten! Bij
wien zal ik, onbeschermde, nu bescherming zoeken? (Denkt na.) Komaan,
ik zal tot hem om bescherming gaan, die de redding is van wie
bescherming vragen. (Hem naderend.) Edele Cârudatta, red mij, red mij!
(Valt hem te voet.)
Achter het tooneel.
Edele Cârudatta, laat hem, laat hem, dooden wij hem!
Koningszwager.
O beschermer van onbeschermden, red mij!
Cârudatta (medelijdend).
Ach, veiligheid, veiligheid hem, die bescherming zoekt.
Çarvilaka (opgewonden).
Ah! voert dien man weg van Cârudatta’s zijde! (Tot Cârudatta.) Zeg
toch, wat met dien booswicht moet worden uitgevoerd.
Moet men geboeid hem voortsleepen,
moet hij door honden zijn verteerd,
Of aan den strafpaal gestoken
of door de zaag vanééngescheurd?
Cârudatta.
Wat ik zeg, wordt dat gedaan?
Çarvilaka.
Zonder twijfel.
Koningszwager.
Groote Heer, Cârudatta, ik zoek bescherming. Red mij, red mij! Doe dat,
wat uwer waardig is. Ik zal niet weer lasteren.
De burgers achter het tooneel.
Doodt hem, waarom laat men den zondaar in ’t leven!
(Vasantasenâ neemt den doodskrans van Cârudatta’s hals en werpt hem den
koningszwager om).
Koningszwager.
Slavinnendochter, wees genadig, wees genadig! Ik zal niet weer moorden.
Dus red mij.
Çarvilaka.
Komaan, voert hem weg. Edele Cârudatta, beveel; wat moet met dien
booswicht worden uitgevoerd?
Cârudatta.
Wat ik zeg, wordt dat gedaan?
Çarvilaka.
Zonder twijfel.
Cârudatta.
In waarheid?
Çarvilaka.
In waarheid.
Cârudatta.
In dat geval moet men hem spoedig....
Çarvilaka.
Ter dood brengen?
Cârudatta.
Neen, neen, vrijlaten!
Çarvilaka.
Om welke reden?
Cârudatta.
Een vijand, die misdeed, die bescherming zoekt, die ons te voet is
gevallen, mag niet met het zwaard worden verslagen.
Çarvilaka.
Laat hij dan door de honden worden opgegeten.
Cârudatta.
Neen, neen, door weldaden moet men hem verslaan.
Çarvilaka.