Cândâla.
Laat hij hier komen.
Tweede.
Laat hij hier komen.
Beiden.
Hé, burgers, maakt een oogenblik ruimte; laat de edele Cârudatta het
gelaat van zijn zoon zien. (Naar de kleedkamer gewend.) Edele,
hierheen, hierheen. Kom nader, kind, kom nader. (Dan komt met het kind
de Vidûshaka op.)
Vidûshaka.
Haast U, haast U, lieve jongen; uw vader wordt heengevoerd om gedood te
worden.
Jongen.
Ach vader, ach vadertje!
Vidûshaka.
Ach, lieve vriend, waar moet ik U zien!
Cârudatta (zoon en vriend ziende).
Ach zoon, ach vriend! (Droevig.) O helaas!
Langen tijd zal ik voorzeker
in d’and’re wereld dorstig zijn;
Al te klein immers voor ’t water,
dat ons geplengd zij, is dit vat.*†
Wat zal ik mijn zoon geven? (Zich zelf beschouwend, het offerkoord*
ziende.) Ah, dit is ten minste van mij.
Schoon niet van goud, niet van paarlen,
is ’t der Brahmanen lijfsieraad,
Waarmede aan Goden en Vad’ren
’t verschuldigd deel wordt toegebracht.
(Geeft het offerkoord.)
Cândâla.
Kom dan, Cârudatta, kom!
De tweede.
Wel, gij spreekt den edelen Cârudatta toe met zijn naam zonder
begeleidend woord! Zie:
Bij opgang en bij ondergang,†
en nacht en dag, met ongestoorden loop,
Gaat, als een band’loos merrieveulen,
naar haar believen de Noodwendigheid.
En nog dit:
Zijn zijn benamingen dan dor?
Moet men niet, nederbuigend, eer bewijzen?†
Is, ook wanneer haar Râhu* grijpt,
de Maan den menschen niet vereerenswaard?
Jongen.
Zeg eens, Cândâla’s, waar voert gij vadertje heen?
Cârudatta.
Kind!
Wijl ’k om den hals den karavîra-krans draag,
’t spit op den schouder, in het hart den kommer,
Ga ’k thans ter strafplaats heen, als naar de slachtbank
een bok, dien men bij ’t offerfeest zal binden.
Cândâla.
Niet wij toch zijn Cândâla’s,
schoon voormaals uit Cândâla-stam geboren,
Zij, die een ed’le krenken,
dat zijn de slechten, ja, dat zijn Cândâla’s.
Jongen.
Maar waarom wilt ge vadertje dooden?
Cândâla.
Hieraan heeft des konings bevel schuld, niet wij.
Jongen.
Doodt mij, laat vadertje vrij.
Cândâla.
Leef mij lang, daar ge zóó spreekt.
Cârudatta (onder tranen zijn zoon omhelzend).
Die liefde—z’ is de bezitting
gelijkelijk van rijk en arm;
Zonder uçîra* of sandel,
is zij een balsem voor het hart.
Wijl ’k om den hals den karavîra-krans draag,
’t spit op den schouder, in het hart den kommer,
Ga ’k thans ter strafplaats heen, als naar de slachtbank
een bok, dien men bij ’t offerfeest zal binden.
(Rondziende, bij zich zelf.)
Daar ginds, met ’t overkleed ’t gelaat bedekkend,
Gaan immers verder van mij voort mijn vrienden:
Ook vreemd’ is maag van wie in voorspoed wijlen,
Maar geen de vriend van wie in nood verkeeren.
Vidûshaka.
O goede menschen, laat mijn lieven vriend Cârudatta vrij, doodt mij.
Cârudatta.