Cârudatta.
Rampspoed mij bracht tot dez’ oned’len toestand,
Waar winst zelfs heeten mag dit levenseinde,†
En dez’ afkondiging mijn geest verbijstert,
Nu ’k hooren moet: „Zij is door U verslagen.”
(Dan verschijnt Sthâvaraka, geboeid, op het paleis.)
Sthâvaraka (de bekendmaking vernemend, ontsteld).
Hoe, onschuldig wordt Cârudatta ter dood gebracht! Ik ben door mijn
meester met een keten geboeid. Komaan, ik zal schreeuwen. Hoort,
Edelen, hoort!† Ik, booswicht, heb heden door een verwisseling der
wagens Vasantasenâ naar het oude park Pushpakarandaka gevoerd. Toen is
zij door mijn meester—„Gij bemint mij niet,” zeide hij—met des
armstriks gewelddadigheid gedood, maar niet door dezen edele. Hoe, door
den afstand hoort niemand mij. Wat zal ik dan doen? Zal ik mij zelf
laten vallen? (Denkt na.) Indien ik zoo doe, dan wordt de edele
Cârudatta niet ter dood gebracht. Komaan, hier van den omgang van den
paleistoren door dit oude venster zal ik mij nederwerpen. Beter, dat ik
sterf, dan deze boom, waar als vogels welgeborenen een toevlucht
vinden, de edele Cârudatta. Indien ik zóó omkom, is de andere wereld
door mij verworven. (Laat zich zelf vallen.) Wel kijk, ik ben niet
omgekomen, gebroken is mijn keten! Laat ik dan het geroep der Cândâla’s
volgen. (Rondziende en toeloopend.) Hé daar, Cândâla’s, ruimte, ruimte!
Beide Cândâla’s.
Hé, wie vraagt daar ruimte?
Slaaf.