Candanaka (in alle richtingen ziende).
Ga voort nu, voerman, ga voort. Indien iemand het vraagt, zeg dan, dat
de wagen door Candanaka en Vîraka is gevisiteerd. Edele Vasantasenâ,
dit geef ik U als herkenningsteeken†. (Reikt hem een zwaard.)
′Aryaka (het zwaard aannemend, verheugd bij zich zelf).
Ha, een zwaard heb ik verworven
en zie, daar trilt mijn rechter arm!*
Dus is wel alles mij gunstig;
komaan dan nu, ik ben gered.
Candanaka.
Jonkvrouw!
Daar ik U hier betrouwbaar heb verklaard,
moet gij ook later Candana gedenken;
Dit zeg ik geenszins uit begeerigheid,
uit lust tot vriendschap is het, dat wij spreken.
′Aryaka.
Candana, edel als Candra,
is thans door ’t Noodlot mij een vriend;
Candana zal ik gedenken,
als de voorspelling is vervuld.
Candanaka.
Veiligheid verleen’ U Çiva, Vishnu, Brahmâ, Ravi* ook en Candra,
Slaand’ uw tegenstanders, zooals de Godinne*, Çumbha en Niçumbha.
(De slaaf met den wagen af).
Candanaka (in de richting der kleedkamer ziende).
Terwijl hij heenging, is mijn lieve vriend Çarvilaka hem op den voet
gevolgd. Komaan, den eersten politiemeester Vîraka, op wien de koning
vertrouwt, heb ik tot mijn vijand gemaakt. Laat ik dan ook, van zonen
en broeders omgeven, mij bij hem* aansluiten. (Allen af.)
Aldus in „Het leemen Wagentje”.
het zesde Bedrijf,
„De Verwisseling
der Wagens”
genaamd.