Koningszwager (bevreesd wegloopend).
Wat, ge zijt bevreesd! nu, ga dan.
Hoveling.
Niet geraden is het te toeven. Waar de edele Çarvilaka, Candanaka en de
anderen zijn, daar ga ik heen. (Af.)
Koningszwager.
Loop in uw verderf! Nu, Sthâvaraka, zoontje, hoe heb ik gedaan?
Slaaf.
Heer, een groote misdaad hebt ge gedaan.
Koningszwager.
Wel, slaaf, wat zegt ge? Heb ik een misdaad gedaan? Komaan dan!
(Verscheidene sieraden afdoende.) Neem deze sieraden, die ik je
intusschen geef; zoolang ik mij tooi, zijn ze van mij, anders van U.†
Slaaf.
Heer, U alleen staan ze goed, maar wat heb ik er aan!
Koningszwager.
Ga dan met deze stieren en wacht op den omgang† van den toren van mijn
paleis, tot ik terugkom.
Slaaf.