UEd. volge mij. (Beiden gaan het tooneel rond.)

Cârudatta (bevreesd).

Wat is dat daar!

Met rauw geluid hoor ik dien vogel krassen†,

’s ministers dienaren mij plotsling roepen,

En ’t linker oog voel ik geweldig trillen;

’t zijn kwade teekenen, die mij beangsten.

Bode.

UEd. volge mij behoedzaam† zonder ontsteltenis.

Cârudatta (gaat het tooneel rond en ziet om zich heen).

Op een verdorden boom zittend

en naar den Zonnegod gewend,

Vestigt op mij, ongetwijfeld,

een kraai haar gruwlijk linker oog.

(Weer elders heenziende.) O zie, die slang!

Op mij den blik gericht,

glanzend als bhṛnga*-zwarte zalf,†

Met gifttand-viertal blank

en trillend-uitgestrekte tong,

Schiet toornig op mij toe,

met kronk’lend opgeblazen lijf,

Die bochtenganger-vorst,

die in mijn weg te slapen lag.

En nog dit:

Mijn voet glijdt uit en niet heel vochtig is de grond,

Ook trilt mijn oog en telkens beeft mijn linker arm,

En gindsche vogel krijscht terwijl herhaalde maal,

Spelt een zeer wreeden dood—hier baat geen overleg!

De Goden mogen het nochtans ten goede wenden.

Bode.

UEd. volge mij, dit is de rechtszaal, UEd. trede binnen.

Cârudatta (binnentredend en naar alle zijden rondziende).

Het leemen wagentje: Indisch tooneelspel uit Sanskṛt en Prākṛt in het Nederlandsch vertaald · 第 102 / 131 题