(Dan vertoont zich, op een zetel zittend, vol smachtend verlangen,
Cârudatta.)
Cârudatta (ten hemel ziende).
Er verheft zich een ontijdig onweer.
Terwijl de pauwen, het bespeurend, de staarten spreiden,
D’ontruste zwanen, tot vertrekken bereid, ’t trotseeren,†
Bevangt den hemel in een oogwenk ’t ontijdig onweer,
En tevens ’t harte van den minnaar, naar liefde smachtend.
En ook:
Zwart als de bhṛnga*, of de vochtige buik eens buffels,
In ’t geel gewaad, dat is geweven van bliksemglansen,
Schittert de Wolk, die kranenzwermen gelijk een schelp draagt,*†
Gereed den hemel te bestijgen: een tweede Vishnu.
En ook:
Als ’t lichaam donker van den Lang-gelokte,
met kranenrijen, tot een schelp gebogen,
Is in haar zijden kleed van bliksemdraden,
de Wolk verrezen, als de Discusdrager.*
Die drop’len, neergegoten schijnend als vloeibaar zilver,
IJlings ontvallen aan de buiken der regengevers,
Bij ’t licht der bliksemlamp een oogwenk gezien—verdwenen,
Vallen als afgesneden franje van ’t kleed des hemels.
Door al die wolken, die in velerlei gestalten zijn verrezen,
Als nauw-verbonden cakravâka*-paren, opgevlogen zwanen,
Als dwarrelende visschenscholen en dolfijnen, als kasteelen,
Glanst, door den wind vanééngereten, thans de duist’re hemel.†
Die hemel is, als Dhṛtarâshtra’s heerschappij,
door wolken in duisternis;
Van vreugd jubelt, al t’ overmoedig op zijn kracht,
de pauw als Duryodhana;
De kokila trok heen, Yudhishthira gelijk,
verwonnen door dobbelspel;
De zwanen zijn nu, als de Pândava’s, van ’t woud
gaan zwerven, elk onbekend.*
(Denkt na.) Het is toch al lang geleden, dat Maitreya tot Vasantasenâ
is gegaan en nog steeds komt hij niet terug.
Vidûshaka (opkomend).
Wel, wat is die hetaere hebzuchtig en onvriendelijk†, dat ze verder
geen woord heeft gesproken en zonder komplimenten, zonder iets te
zeggen, zóó maar het paarlensnoer heeft genomen. Heeft zij, te midden
van zulk een overvloed, zelfs maar tot mij gezegd†: „Edele Maitreya,
rust wat uit, drink een glas water”? Moge ik dan van die
slavinnendochter van een hetaere het gelaat niet weer aanschouwen!
(Moedeloos.) Terecht zegt men toch: „Een lotusplant, niet uit een bol
ontstaan†, een koopman, die niet bedriegt, een goudsmid, die niet
steelt, een dorpsvergadering zonder twist en een hetaere, die niet
hebzuchtig is, die worden zelden aangetroffen.” Laat ik dan naar mijn
lieven vriend gaan en hem afbrengen van die neiging tot hetaeren. (Gaat
het tooneel rond en ziet Cârudatta.) Wel, mijn lieve vriend is in den
boomhof gezeten, laat ik hem dan naderen. (Gaat nader.) Heil U; het ga
U wèl.
Cârudatta (hem ziende).
Wel kijk,—vriend Maitreya! Vriend, welkom, zet U neder.
Vidûshaka.
Ik ben gezeten.
Cârudatta.
Vriend, vertel eens, hoe het met de zaak staat.
Vidûshaka.
De zaak is verloren.
Cârudatta.
Heeft zij het paarlensnoer niet aangenomen?
Vidûshaka.
Hoe zoude ons zulk een geluk te beurt vallen! Haar hand, teeder als een
pas ontloken lotus, op het hoofd leggend, heeft zij het aangenomen.
Cârudatta.
Maar waarom zegt ge dan: „Het is verloren”?
Vidûshaka.
Wel, verloren†, daar voor een goudkistje van weinig waarde, dat we niet
hebben gegeten, dat we niet hebben gedronken, dat door de dieven is
gestolen, ons een paarlensnoer is ontnomen, het puik der vier oceanen.
Cârudatta.
Vriend, spreek niet aldus. Zie:
Daar zij, geloof in ons stellend,
haar sieraad ons heeft toebetrouwd,
Wordt voor dat groote vertrouwen
dit als belooning haar vereerd.
Vidûshaka.
En, vriend, dit is mij een tweede oorzaak van kwelling, dat zij, haar
vriendin een wenk gevend en zich het gelaat met een slip van haar kleed
bedekkend, mij heeft uitgelachen. Dus val ik, Brahmaan, U thans nederig
te voet en smeek U: Wend uw geest af van die rampzalige neiging tot
hetaeren. Voorwaar, een hetaere is als een aardkluit, die in den schoen
geraakt is: men kan ze moeilijk kwijtraken. En bovendien, vriend, een
hetaere, een olifant, een griffier, een bedelmonnik, een bedrieger en
een ezel, waar die verwijlen, daar ontstaat zelfs geen onkruid.
Cârudatta.
Vriend, genoeg thans niets dan woorden van verwijt gesproken. Door mijn
omstandigheden zelve word ik teruggehouden. Zie:
’t Ros neemt een vaart, om met gezwindheid zich voort te spoeden,
Maar mangelt d’adem hem, dan dragen ’t niet zóó zijn voeten.
Naar alle kanten gaan des menschen beweegb’re zinnen,
Om dan terneergedrukt in ’t harte terug te keeren.
En ook, vriend:
Wie geld heeft, zal ze beminnen,
door geld zulken te winnen zijn.
(Bij zich zelf.) Niet door deugd zulken te winnen zijn. (Luid.)
Heb ik dan haar niet verlaten,
daar rijkdom ons verlaten heeft?
Vidûshaka (omlaag ziende, bij zich zelf).
Daar hij, ten hemel ziende, diep zucht, bemerk ik, dat, terwijl ik hem
wilde terughouden, ik zijn verlangen nog heb doen toenemen. Men zegt
dan wel terecht: „Dwars van zin, is de Min.” (Luid.) En, vriend, ook
heeft zij nog gezegd: „Zeg aan Cârudatta, dat ik vanavond hier zal
komen.” Daaruit maak ik op, dat zij, niet geheel bevredigd door het
paarlensnoer, iets anders komt vragen.
Cârudatta.
Vriend, laat zij komen, geheel bevredigd zal zij heengaan.
Slaaf (opkomend).
Op zij, menschen!
Hoe meer, hoe meer de wolkenmassa regent,
hoe meer, hoe meer mijn ruggevel doorweekt wordt.
Hoe meer, hoe meer de koude wind mij aanvat,
hoe meer, hoe meer begint mijn hart te beven.
(Lachend.)
’k Blaas de welluidende fluit met haar zevental gaten,
’k speel de weergalmende luit met haar zevental snaren,
’k Zing er een lied, dat wel aan een ezel zou passen,
Nârada, Tumburu,* geen evenaart mij in ’t zingen.
Mij is gelast door Jonkvrouw Vasantasenâ: „Kumbhîlaka, ga, meld mijn
komst den edelen Cârudatta.” Laat ik dan naar het huis van den edelen
Cârudatta gaan. (Gaat het tooneel rond, en ziet hem, bij het
binnengaan.) Daar zit Cârudatta in den boomhof. En daar is ook die
ellendige Brahmanenjongen, laat ik dan naderen. Hoe, de deur van den
boomhof gesloten. Kom, ik zal dien ellendigen Brahmanenjongen een sein
geven. (Werpt een kluitje leem.)
Vidûshaka.
Hé, wie raakt me daar, als een kapittha*, door een wal omgeven, met
leemkluiten?
Cârudatta.
De tortelduiven, die op den dakrand van het tuinhuis spelen, zullen ze
hebben laten vallen.
Vidûshaka.
O slavinnenzoon, ellendige tortel, wacht, wacht, met dezen stok zal ik
je, als een goed-rijpe mango-vrucht, van dat tuinhuis ter aarde doen
vallen. (Loopt met opgeheven stok voort.)
Cârudatta (hem bij het offerkoord terugtrekkend).
Vriend, ga zitten, wat wilt ge hem doen, laat die arme tortel toch bij
zijn gaaike blijven.
Slaaf.
Hoe, den tortel ziet hij, en mij ziet hij niet. Kom, ik zal hem nog
eens met een leemkluitje raken. (Zoo doet hij.)
Vidûshaka (naar alle richtingen ziende).
Hé, daar is Kumbhîlaka, laat ik tot hem gaan. (Nadert hem en opent de
deur.) Wel, Kumbhîlaka, kom binnen, wees welkom.
Slaaf (binnentredend).
Edele, ik groet U.
Vidûshaka.
Wel, waarom zijt ge bij zulk weer in de duisternis hier gekomen?
Slaaf.