(De vrouw van Cârudatta komt op met de slavin.)
Vrouw (ontsteld).
Nu, is werkelijk de edele heer ongedeerd en ook de edele Maitreya?
Slavin.
Werkelijk, Meesteres! maar die sieraden van de hetaere, die zijn
gestolen.
(De vrouw doet, of zij in onmacht valt.)
Slavin.
Kom tot bezinning, edele vrouwe, kom tot bezinning.
Vrouw (tot bezinning komend).
Meisje, waarom zegt ge: „De edele heer is ongedeerd”? Het ware beter,
dat hij aan zijn lichaam gedeerd ware dan aan zijn goeden naam. Nu zal
men in Ujjayinî zóó spreken: „Uit armoede heeft zelfs de edele heer
zulk een misdaad bedreven.” (Ten hemel ziende en zuchtend.) Verheven
Noodlot, gij speelt met het lot der armen, dat onbestendig is, als de
op het lotusblad gevallen waterdroppel. Ik heb nog alleen een
paarlensnoer, afkomstig uit het huis mijner moeder. Maar mijn gemaal
zal het uit al te groote edelmoedigheid niet willen aannemen. Meisje,
roep den edelen Maitreya eens.
Slavin.
Zooals de edele vrouwe beveelt. (Tot den Vidûshaka gaande.) Edele
Maitreya, Mevrouw roept U.
Vidûshaka.
Waar is zij?
Slavin.
Hier is zij; kom nader.
Vidûshaka (naderend).
Heil U.
Vrouw.
Edele, ik groet U; Edele, wend mij uw gelaat toe.
Vidûshaka.
Zie, ik heb U mijn gelaat toegewend.
Vrouw.
Edele, neem dit.
Vidûshaka.
Geachte, wat is dit?
Vrouw.
Edele, ik heb namelijk voor een Ratnashashthi-gelofte* gevast; daarbij
moet men naar gelang van zijn vermogen een Brahmaan begiftigen en deze
is niet begiftigd, neem dus daarvoor dit paarlensnoer.
Vidûshaka (het nemend).
Ik dank U. Ik zal het mijn lieven vriend gaan mededeelen.
Vrouw.