Bedelmonnik.
Eere den Buddha!
Hoveling.
Wat hebt ge er aan, dien ongelukkige te slaan? Laat hem los, laat hem
loopen.
Koningszwager.
Nu, wacht dan, terwijl ik overleg.
Hoveling.
Met wien?
Koningszwager.
Met mijn eigen hart.
Hoveling.
Nu, hij is nog niet gegaan.
Koningszwager.
Zoontje mijn hart, heer zoontje†! moet deze bedelmonnik gaan of
blijven? (Bij zich zelf.) Hij moet niet gaan, hij moet niet blijven.
Meester, Meester, ik heb met mijn hart overlegd en mijn hart zegt...
Hoveling.
Wat zegt het?
Koningszwager.
Hij moet niet gaan, hij moet niet blijven, hij moet niet uitademen, hij
moet niet inademen, hier op deze plaats moet hij dadelijk neervallen en
sterven.
Bedelmonnik.
Eere den Buddha, ik zoek bescherming.
Hoveling.
Laat hij gaan.
Koningszwager.
Ja, op een voorwaarde.
Hoveling.
Welke voorwaarde?
Koningszwager.
Laat hij zóó het vuil wegwerpen, dat het water niet troebel wordt. Of
neen, laat hij het water ophoopen en dan het vuil wegwerpen.
Hoveling.
O die dwaasheid!
Overladen met vleesch-boomen,
wier kruin uit splinters steen bestaat,
Is deze wereld,—met dwazen,
van geest en handelwijs verkeerd.†
(De bedelmonnik beschimpt hem door gebaren.)
Koningszwager.
Wat zegt hij?
Hoveling.
Hij prijst U.
Koningszwager.
Prijs mij, prijs mij en prijs mij andermaal!
(De bedelmonnik, na aldus te hebben gedaan, af.)
Hoveling.
Bastaard, zie de pracht van het park!
Want deze boomen, die, met vrucht en bloem getooid,
Door onbeweeglijke lianen vast† omklemd,
Op last des konings door de wachters zijn behoed,
Als mannen bij hun vrouw, verzinken in genot.
Koningszwager.
De Meester spreekt goed!
Met vele bloesems is de grond bespikkeld,
Door bloesemlast de boomen neergebogen,
Lianen groeten uit den top der boomen,
Als broodboomvruchten dartelen de apen.†
Hoveling.
Bastaard, hier is een platte steen; zet U neder.
Koningszwager.
Ik ben gezeten. (Zet zich neder met den hoveling.) Meester, nog steeds
denk ik aan Vasantasenikâ; als het woord van een booswicht wijkt zij
niet uit mijn hart.
Hoveling (bij zich zelf).
Zoo denkt hij nog aan haar, hoewel hij afgewezen werd! En toch:
Versmaad door vrouwen, zal
van slechtaards nog de liefde wassen;
Maar van een edel man
zal zij verzwakken of niet meer bestaan.
Koningszwager.
Meester, het is al eenigen tijd geleden, dat ik tot mijn slaaf
Sthâvaraka heb gezegd: „Kom met den wagen heel spoedig hier.” Daar hij
nog altijd niet komt, ben ik al lang hongerig en des middags kan men
toch niet te voet gaan. Zie toch, zie!
De middagzon, een boozen aap gelijk, is nauwlijks aan te zien,
D’aarde verkwijnt†, als na den dood van ’t zonen-honderdtal Gândhârî*.
Hoveling.
Zoo is het.
De runderkudde dommelt in de schaduw,
terwijl de beten gras haar mond ontvallen;
Van dorst gekweld, wordt door de woud-gazellen
het warme vocht der poelen opgedronken;
Door menschen, al te zeer de hitte duchtend,
wordt niet de weg, die stadwaarts voert, betreden;
Zoo heeft, om den verhitten grond t’ontwijken,
de wagen, denk ik, ergens halt gehouden.
Koningszwager.
Meester!
Op mijn hoofd, Meester, is een straal der zonne neergestreken†,
De vogels, lucht- en hemelgangers* rusten op de takken.
De mannen en de menschen en de lieden, warm-diep zuchtend,
In woningen en huizen zittende, de hitt’ ontwijken.
Meester, nog altijd komt de slaaf niet. Maar kom, om mij den tijd te
korten, zal ik wat zingen. (Zingt.) Meester, Meester, hebt ge gehoord,
wat ik gezongen heb?
Hoveling.
Wat zal men zeggen! Ge zijt een Gandharva*.
Koningszwager.
Waarom zou ik geen Gandharva zijn?
De vlam van hingu*† en komijn en cyper,
Violenknoop, suiker, gedroogde gember,
Dit reukwerkmengsel is door mij gebezigd;
Hoe zoud’ ik dan niet lieflijk van geluid zijn?
Meester, Meester, ik zal nog eens even zingen. (Doet aldus.) Meester,
Meester, hebt ge gehoord, wat ik gezongen heb?
Hoveling.
Wat zal men zeggen! Ge zijt een Gandharva.
Koningszwager.
Waarom ben ik geen Gandharva?
Van hingu heet†, bestrooid met peperpoeder,
Besprenkt met olie en gemengd met boter,
Zulk koekoeksvleesch is er door mij gegeten;
Hoe zoud’ ik dan niet lieflijk van geluid zijn?
Meester, nog altijd komt de slaaf niet.
Hoveling.
Wees goedsmoeds, hij zal zoo aanstonds komen. (Dan komt, op den wagen
gezeten, Vasantasenâ op en de slaaf.)
Slaaf.
Ik ben toch bang, de zon staat al in het Zuiden; als de koningszwager
Samsthânaka maar niet boos is. Dus zal ik snel rijden. Voort, stieren,
voort!
Vasantasenâ.
O wee, o wee! Dat is niet de stem van Vardhamânaka. Wat is dat? De
edele Cârudatta zal toch niet, om zijn span vermoeienis te besparen,
een anderen man en een anderen wagen hebben gezonden. Mijn rechter oog
trilt, mijn hart beeft, leegte is om mij heen, alles zie ik wankelen.
Koningszwager (het dreunen der wielen vernemend).
Meester, Meester, de wagen is aangekomen.
Hoveling.
Hoe weet ge dat?
Koningszwager.
Ziet ge hem niet, Meester? Men kan hem zien knorren als een ouden ever.
Hoveling (hem ziende).
Goed gezien! hij is aangekomen.
Koningszwager.
Zoontje, Sthâvaraka, slaaf, zijt ge aangekomen?
Slaaf.
Zeker.
Koningszwager.
Is de wagen ook aangekomen?
Slaaf.
Zeker.
Koningszwager.
Zijn de stieren ook aangekomen?
Slaaf.
Zeker.
Koningszwager.
Zijt gij ook aangekomen?
Slaaf (lachend).
Heer, ook ik ben aangekomen.
Koningszwager.
Rijd dan naar binnen met den wagen.
Slaaf.
Langs welken weg?
Koningszwager.
Over deze instorting van den muur.
Slaaf.
Heer, de stieren zullen omkomen en de wagen zal breken en ook ik, uw
slaaf, zal omkomen.
Koningszwager.
Nu, ik ben des konings zwager; zijn de stieren dood, dan zal ik andere
koopen, is de wagen gebroken, dan zal ik mij een anderen laten maken,
en zijt gij dood, dan zal een ander mijn voerman zijn.
Slaaf.
Ja, alles zal terecht komen, maar ik zal niet meer van mij zelf zijn.
Koningszwager.
Komaan, laat alles te gronde gaan, rijd met den wagen over de
instorting van den muur.
Slaaf.
Breek dan, wagen, met uw eigenaar, breek, breek! Wij moeten een anderen
wagen hebben, dat ga ik mijn Heer melden. (Binnenrijdend.) Hoe, niet
gebroken!—Heer, de wagen is er.
Koningszwager.
De stieren niet gescheurd? De strengen niet dood? En ook gij niet dood?
Slaaf.
Neen, zeker niet.
Koningszwager.
Meester, kom hier, laten we den wagen beschouwen. Meester, ook gij mijn
leeraar, mijn voornaamste leeraar, wordt beschouwd met eerbied als een
vertrouwde, als een meerdere; bestijg gij dan den wagen het eerst.
Hoveling.