Çarvilaka (komt op).
Nu ’k van de misdaad aan den nacht de schuld gaf,
Den slaap verwonnen heb en ’s vorsten wachters,
Ben ’k, daar de nacht week, als de maan geworden,
Gering van stralen bij der zon verrijzen.
En ook:
Wie ook, verhaast ik mijne schreden†, mij even aanziet,
Of snel mij nader komt, terwijl ik verbijsterd staan blijf,
Argwaan gevoelt jegens een ieder mijn schuldig harte;
Immers beangstigd wordt de mensch door zijn eigen zonden.
Ik heb toch ter wille van Madanikâ een vermetele daad verricht.
Een man, met zijn bedienden in gesprek, ging ’k stil voorbij;
Waar ik een huis zag, door een vrouw beheerd, vermeed ik ’t steeds;
En kwam mij ’s vorsten macht op zij, dan stond ik als een paal.
Door honderd zulke listen is de nacht tot dag gemaakt.
(Hij gaat het tooneel rond.)
Vasantasenâ.
Meisje, leg dit portret op mijn rustbed, haal een waaier en kom dan
vlug weer hier.
Madanikâ.