Rechter.
Edele Cârudatta, in de uitspraak hebben wij te beslissen, in het
overige de koning. Toch moet ge, bode, koning Pâlaka doen weten:
Men mag, sprak Manu*, niet dooden
dezen misdadigen Brahmaan;
Maar, met behoud van vermogen,
is hij te bannen uit dit rijk.†
Bode.
Zooals UEd. beveelt. (Af; weder opkomend, onder tranen.) Edelen, ik ben
daarheen gegaan.† Koning Pâlaka zegt: „Hem, door wien om haar beetje
geld Vasantasenâ is omgebracht, moet gij, diezelfde† sieraden aan den
hals gebonden, onder trommelslag, naar de zuider-begraafplaats voeren
en aan den paal breken.† Ieder ander, die zulk een misdaad bedrijft,
zal met deze onteerende straf worden getuchtigd.”
Cârudatta.
Ach, zonder overleg handelt koning Pâlaka! En toch:
In zulk een vuur van rechtspleging
door hun raadslieden neergestort,
Komen immers met recht vorsten
in een beklagenswaarden staat.
En ook:
Door zulke buitengewone
schenders van ’t koninklijk gebod
Worden en zijn reeds duizenden
onschuldigen ter dood gebracht.
Vriend Maitreya, ga, groet uit mijn naam moeder* voor het laatst. En
bescherm mijn zoon Rohasena.
Vidûshaka.
Waarom den boom beschermen, als de wortel is afgehouwen!
Cârudatta.
Spreek niet aldus.
Van hen, die dez’ wereld verlieten,
is ’t lijflijk evenbeeld de zoon.
Die liefde, die g’ in mij steldet,
zij Rohasena toegewijd.
Vidûshaka.
Ik, die uw lieve vriend ben, zal het leven, dat door U is verlaten,
voortzetten.
Cârudatta.
Laat mij Rohasena nog eens zien.
Vidûshaka.
Dat is gepast.
Rechter.
Waarde bode, ge moet dien Brahmanenjongen wegvoeren. (De bode doet
aldus.)
Rechter.
Hé daar, hé, aan de Cândâla’s* moet bevel worden gegeven. (De wachters
laten Cârudatta los en treden allen af.)
Bode.
UEd. kome hierheen.
Cârudatta (droevig).
Helaas, Maitreya, welk een slag heeft mij thans getroffen!
Ach, gad’ een vlekkeloos Brahmanengeslacht ontsproten!
Ach Rohasena, gij aanschouwt niet mijn wedervaren—
Vergeefs verlustigt g’ U nog immer in ’t grootste onheil.
(In de ruimte.)
Zoo door gif, water, weegschaal, vuur,
mijn onderzoek nog wordt geëischt,*
Mag op mijn lichaam dan de zaag
onachtzaam worden toegepast?†
En toch reeds op eens vijands woord
brengt ge mij, een Brahmaan, ter dood!
Gij valt in ’t midden van de hel,
van kind en kindskind vergezeld.*