Hé, voerman, buig het juk neer.† (De slaaf doet aldus.)

′Aryaka (bij zich zelf).

O wee, de wachters zullen mij zien.† En ongewapend ben ik, ongelukkige.

Maar neen:

Bhîma’s* voorbeeld zal ik volgen,

mijn arm zal mij een wapen zijn;

Beter is kampend te sterven,

dan in gevangenschap geboeid.

Maar neen, voor vermetelheid is de tijd nog niet gekomen.

(Candanaka doet of hij den wagen bestijgt en visiteert.)

′Aryaka.

Bescherming zoek ik.

Candanaka (tot Sanskṛt overgaande).

Veiligheid hem, die bescherming zoekt.

′Aryaka.

Hem verlaat toch de Godin der Zege,

hem begeven vrienden en verwanten,

Steeds is hij bespotting prijsgegeven,

die verlaat, wie zijn bescherming zoeken.

Candanaka.

Hoe, ′Aryaka, de jonge herder, is als de vogel, die, door den valk

verschrikt, in handen van een vog’laar is gevallen. (Denkt na.) Deze,

die niet misdeed, die bescherming zoekt, gezeten op den wagen van den

edelen Cârudatta, de vriend van den edelen Çarvilaka, die eens mijn

leven redde en aan den anderen kant het bevel des konings! Wat dan

behoort thans hier gedaan te worden? Maar komaan, wat gebeuren moet,

dat zal gebeuren. Allereerst heb ik hem veiligheid verleend.

Wie aan bevreesden veiligheid verleent,

er smaak in scheppend, and’ren wel te doen,

Hij ga te gronde, zoo het wezen moet,

toch blijft op aarde zijne deugd bewaard,†

(Bevreesd af klimmend.) Ik zag den edelen (Na half te hebben

uitgesproken.) och neen, de edele† Vasantasenâ. Toen zegt zij: „Is dat

nu gepast, is dat nu voegzaam, dat, terwijl ik mij tot den edelen

Cârudatta ga begeven, ik op straat word lastig gevallen!”

Vîraka.

Candanaka, nu ben ik aan het twijfelen geraakt.

Candanaka.

Vanwaar die twijfel?

Vîraka.

Uw keel ging van verwarring trillen, toen ge zeidet:

„Ik zag den edelen”,—en dan: „de edele Vasantasenâ.”

Vandaar mijn wantrouwen.

Candanaka.

Och, welk een wantrouwen is dat van U! Wij, zuiderlingen, spreken

onduidelijk, doordat wij bekend zijn met allerlei talen van

heidenstammen, zooals Khasa’s, Khattikhada’s, Kadattha’s, Vilaa’s,

Karnâta’s, Karnaprâvarana’s, Dravida’s, Cola’s, Cîna’s, Vatsara’s,

Khera’s, Khâna’s, Mukha’s, Madhughâta’s en anderen, en zeggen dus naar

believen „den” of „de” „edelen” of „edele”. Hoe kunt ge bezwaar maken

tegen een uitgang†! Een verklaring van vrouwelijk, mannelijk en

onzijdig is hier niet aan de orde.

Vîraka.

Ik moet toch ook visiteeren, dat is des konings bevel, ik ben ’s

konings vertrouwde.

Candanaka.

Heb ik dan zijn vertrouwen verloren?

Vîraka.

Is het niet het bevel van onzen meester?

Candanaka (bij zich zelf).

„′Aryaka†, de jonge koeherder, is op den wagen van den edelen Cârudatta

ontvlucht,” als dat bekend wordt, zal de edele Cârudatta door den

koning worden gestraft. Wat is hier dan voor uitweg? (Na goed te hebben

nagedacht.) Ik zal een Karnâtentwist* in praktijk brengen. (Luid.) Zeg,

Vîraka! ik, Candanaka, heb gevisiteerd, en nu wilt gij nog visiteeren!

Wie zijt gij?

Vîraka.

Wel, wie zijt gij?

Candanaka.

Geëerd en geacht zijt ge, maar aan uw afkomst denkt ge niet.

Vîraka (toornig).

Wel, wat is mijn afkomst?

Candanaka.

Wie zal het zeggen?

Vîraka.

Laat men het zeggen.

Candanaka.

Neen, laat men het niet zeggen.

Hoewel het wetend, wil ik uw geboorte

niet noemen, krachtens mijn gevoel van eer;

O, laat het in mijn geest verborgen blijven;

wat baat, gebroken, een kapittha*-vrucht!

Vîraka.

Nu, laat men het zeggen, laat men het zeggen.

(Candanaka maakt een veelbeteekenend gebaar.)

Vîraka.

Nu, wat is dat?

Candanaka.

Een afgesleten, platten steen hanteerend,

in ’t haar der menschen krul en knoopen zettend,

En ijv’rig ’t scheermes in de handen draaiend,

zóó is het, dat gij hoofdman zijt geworden.

Vîraka.

Wel, Candanaka, ook gij zijt geacht, maar aan uw eigen afkomst denkt ge

niet.

Candanaka.

Nu, wat is de afkomst van mij, Candanaka, zoo rein als Candra*?

Vîraka.

Het leemen wagentje: Indisch tooneelspel uit Sanskṛt en Prākṛt in het Nederlandsch vertaald · 第 80 / 131 题