Mâthura.
Ik ben geruïneerd, ik ben bestolen!
Slavin.
Daar dezen ten hemel zien en diep zuchten, verslagen staan en
overleggen, de oogen op de deur gevestigd, vermoed ik, dat het de
bankhouder en de speler zullen zijn. (Op hen toetredend.) Edele, ik
groet U.
Mâthura.
Vreugde zij U.
Slavin.
Edele, wie van U beiden is de bankhouder?
Mâthura.
Aan wien behoort ge, mijn slanke?
Met stuk-gebeten, drieste lip
Prevelt ge woorden van liefde,
mij aanziende met schuinschen blik.
Ik heb geen geld; ga elders heen.
Slavin.
Indien ge zoo spreekt, zijt gij de speler niet.† Gij beiden hebt een
schuldenaar?
Mâthura.
Zeker, hij is tien suvarna’s schuldig; wat wilt ge met hem?
Slavin.
Ter wille van hem doet de Jonkvrouw U dit armsieraad toekomen. Och
neen, och neen, hij zelf doet het U toekomen.
Mâthura (het verheugd nemend).
Wel, gij moet den Jonker zeggen: „Uw schuldbrief is er geweest; kom U
weer eens met het spel vermaken.” (Beiden af.)
Slavin (tot Vasantasenâ gaande).
Jonkvrouw, bankhouder en speler zijn tevredengesteld heengegaan.
Vasantasenâ.
Ga dan, Edele, om uw verwanten gerust te stellen.
Wrijfmeester.
Jonkvrouw, wanneer het zóó is gesteld, laat ik dan mijn kunst aan de
handen uwer bedienden toevertrouwen.
Vasantasenâ.
Edele, hem, ter wille van wien gij uw kunst hebt geleerd, dienzelfde,
dien gij vroeger hebt gediend, moet gij dienen.
Wrijfmeester (bij zich zelf).
De Jonkvrouw heeft mij handig afgewezen, maar hoe zal ik haar nu een
wederdienst bewijzen? (Luid.) Jonkvrouw, om de verachting, die ik als
speler ondervond, wil ik monnik van den Çâkya* worden. Dus „De
wrijfmeester, de speler, is monnik van den Çâkya geworden”; de
Jonkvrouw gedenke deze woorden.
Vasantasenâ.
Edele, welk een overijling!
Wrijfmeester.