Cârudatta.
Daar ik den koning dus groot onrecht deed,
Is zelfs een oogwenk toeven niet geraan;
(Rondziende.) Maitreya, werp de boei in d’ouden put,
Want vorsten zien door der verspieders oog.
(Geeft te kennen, dat zijn linker oog trilt.) Vriend Maitreya, wij zijn
verlangend naar den aanblik van Vasantasenâ. Zie!
Daar de geliefde ik heden
niet zag, trilt mij het linker oog;
Beangst door ’t kwade voorteeken,
beeft van ontsteltenis mijn hart.
Kom dan, laat ons gaan. (Gaat het tooneel rond.) Hoe, daar nadert ons
de onheil-spellende verschijning van een bedelmonnik. (Weifelend.) Laat
hij langs dit pad komen, wij zullen langs dat pad gaan. (Allen af.)
Aldus in „Het leemen Wagentje”
het zevende Bedrijf,
„′Aryaka’s
Ontvoering”
genaamd.