Hoveling.
Er moge vijandschap bestaan: houd op met lachen!
Wee vriendschap, die vernedering bewerkt, onedel!
Mocht ik dan nimmermeer met U bijeenkomst hebben.
U, bandeloos† als een gebroken boog, verlaat ik.
Koningszwager.
Meester, wees genadig, wees genadig. Kom, laten we naar de stad gaan en
spelen.
Hoveling.
Schoon niet gevallen, maar alleen wijl ik U diene,
Beschouwt men mij als een gevallene, onedel;
Hoe zoud’ ik U nog volgen, nu g’een vrouw gedood hebt,
Bevreesd met halven blik U de stadsvrouwen aanzien!
(Droevig.) Vasantasenâ!
Dat gij, schoon’, in ’t volgend leven
niet wederom hetaere waart,
In een geslacht wierdt geboren,
vlek’loos, met eer en deugd gesierd.
Koningszwager.
Waar vlucht ge heen, hu ge in het oude park Pushpakarandaka, dat mij
behoort, Vasantasenikâ hebt gedood? Kom, verantwoord U voor mijn
zwager.
(Houdt hem vast.)
Hoveling.