Koningszwager.
Ik zal nog niet heengaan, ik wil eerst Cârudattaka zien ter dood
brengen. (Gaat het tooneel rond en ziet.) Hoe, hij is neergezeten!
Cândâla.
Cârudatta, zijt ge bevreesd?
Cârudatta (haastig opstaande).
Dwaas!
Niet bevreesd voor den dood ben ik,
maar zie, geschandvlekt is mijn naam!
Gezuiverd toch, is mij ’t sterven
als de geboorte van een zoon.
Cândâla.
Edele Cârudatta, ook Maan en Zon, die aan het hemelvlak verwijlen,
vinden den ondergang, hoeveel te eer wezens, die den dood vreezen of
menschen. Op aarde† is de één opgestaan, om te vallen, de ander
gevallen om weder op te staan. Opstaande en vallend, heeft ieder weder
wisseling van gewaad. Overleg deze dingen in uw hart en bemoedig U
zelven.† (Tot den Cândâla.) Dit is de vierde plaats der afkondiging,
laat ons dus het vonnis afkondigen. (Zij kondigen weder op gelijke
wijze het vonnis af.)
Cârudatta.
Ach, geliefde Vasantasenâ!
Met tanden, blank als van de maan de zuiv’re stralen,†
Met lippen, die verrukkelijk koraal gelijken!
Nu ik van uw gelaat den nektar heb gedronken,
Hoe zal ’k onwillig het venijn der schande drinken!
(Dan komt, ontsteld, Vasantasenâ op met den bedelmonnik.)
Bedelmonnik.
Wel menschen! terwijl ik Vasantasenikâ, die ten ontijde geheel was
uitgeput, heb verkwikt en geleid, ben ik gesteund door mijn
bedelmonnikschap. Dienstmaagd, waarheen zal ik U geleiden?
Vasantasenâ.
Naar het huis van den edelen Cârudatta. Verheug mij door zijn aanblik,
gelijk den nachtlotus door den aanblik der maan.
Bedelmonnik (bij zich zelf).
Langs welken weg zal ik daar komen? (Denkt na.) Ik ga langs de
hoofdstraat. Dienstmaagd, volg mij, dit is de hoofdstraat.
(Luisterend.) Wat is dat voor een groot rumoer, dat op de hoofdstraat
gehoord wordt?
Vasantasenâ (voor zich uit ziende).
Hoe, daar vóór staat een groote menigte volks. Edele, verneem eens, wat
dat toch is. Als een ongelijk-geladen vrachtschip† helt Ujjayinî naar
ééne zijde over.
Cândâla.
Dit is de laatste plaats der afkondiging; slaat dus de trommel,
verkondigt de afkondiging. (Doet aldus.) Nu, Cârudatta, wees
voorbereid, vrees niet; snel wordt ge ter dood gebracht.
Cârudatta.
Verheven Godheden!
Bedelmonnik (het hoorend, ontsteld).
Dienstmaagd, omdat gij door Cârudatta zoudt gedood zijn, wordt
Cârudatta heengevoerd om terechtgesteld te worden.
Vasantasenâ (ontsteld).
O wee, o wee! Hoe, om mij, ongelukkige, wordt de edele Cârudatta
omgebracht. Kom, wijs mij snel, snel den weg.
Bedelmonnik.
Haast U, haast U, Dienstmaagd van den Buddha, om den edelen Cârudatta,
nog levend, te vertroosten. Edelen, ruimte, maakt ruimte!
Vasantasenâ.
Ruimte, ruimte!
Cândâla.
Edele Cârudatta, des meesters bevel draagt schuld; gedenk dan, wat te
gedenken valt.
Cârudatta.
Waartoe vele woorden!
Indien mijn goede werken iets vermogen, nu ’k geschandvlekt ben
Door woorden van een booswicht, door mijn ongelukkig lot, hoe ook,
Dan moge zij, die wijlt in Indra’s huis of waar z’ ook toeft,
Die smet verdwijnen doen door haren aangeboren aard.
Cândâla (het zwaard trekkend).
Edele Cârudatta, blijf met het gelaat omhoog, onbeweeglijk staan; U
doodend met éénen slag, voeren wij U ten hemel. (Cârudatta blijft aldus
staan.)
Cândâla (wil den slag toebrengen en doet, alsof hem het zwaard uit de
hand valt).
Hoe nu!
Het zwaard, getrokken in gramschap,
met de vuist bij de greep gevat,
Waarom is gevallen ter aarde
het wreede, bliksemende zwaard?
Daar dit is gebeurd, vermoed ik, dat Cârudatta heden niet zal sterven.
Verhevene, die op den Sahya woont*, wees genadig, wees genadig!
Voorwaar, mocht Cârudatta bevrijd worden, dan zoudt gij den stam der
Cândâla’s hebben gelukkig gemaakt.
De andere.
Doen wij, zooals ons bevolen is.
De eerste.
Het zij zoo, laten wij aldus doen. (Beiden willen Cârudatta op den paal
plaatsen.)
Cârudatta.
Indien mijn goede werken iets vermogen, nu ’k geschandvlekt ben
Door woorden van een booswicht, door mijn ongelukkig lot, hoe ook,
Dan moge zij, die wijlt in Indra’s huis of waar z’ ook toeft,
Die smet verdwijnen doen door haren aangeboren aard.
De Bedelmonnik en Vasantasenâ (het ziende).
Edelen, houdt op, houdt op! Edelen, hier ben ik, ongelukkige, om wie
deze wordt ter dood gebracht.
Cândâla (haar ziende).
Wie is toch deze, die met op den schouder vallenden lokkenlast
„Houdt op, houdt op!” roepend, met opgeheven hand hierhenen snelt!
Vasantasenâ.