Madanikâ (ze beschouwend).
Çarvilaka, het is me, of ik die sieraden meer heb gezien; zeg eens,
vanwaar zijn ze?
Çarvilaka.
Madanikâ, wat hebt gij daarmede noodig; neem ze.
Madanikâ (toornig).
Als ge me niet vertrouwt, waarom wilt ge me dan loskoopen?
Çarvilaka.
Welnu, toen het dag werd, heb ik in de wijk der gildemeesters gehoord,
dat ze van den veemheer Cârudatta.... (Bij deze woorden doen
Vasantasenâ en Madanikâ of zij in zwijm vallen.)
Çarvilaka.
Madanikâ, kom tot bezinning, kom tot bezinning! Hoe komt het, dat gij
thans
Alle leden van vrees bevend,
’t oog van ontsteltenis verward,
Wijl ik U wilde vrijmaken,†
siddert van angst, maar niet om mij.
Madanikâ (tot bezinning komend).
Vermetele, ge hebt toch niet, om mijnentwil die misdaad bedrijvend, in
dat huis iemand gedood of gewond?
Çarvilaka.
Madanikâ, bevreesden en slapenden treft Çarvilaka niet. Dus heb ik daar
niemand gedood noch ook gewond.
Madanikâ.
Waarlijk?
Çarvilaka.
Waarlijk.
Vasantasenâ (het bewustzijn herkrijgend).
Ah, ik ben herleefd.
Madanikâ.
Gelukkig!
Çarvilaka (met ijverzucht).
Madanikâ, wat beteekent dat „gelukkig”?
Mijn hart verstrikt van uwe liefde, bedrijf ik misdaad,
Een stam van vaderen ontsproten, van vromen wandel.
Mijn trots behoud ik, zij voor hartstocht mijn deugd bezweken;
Maar gij, die valschlijk mij uw vriend noemt, bezoekt een ander.
(Veelbeteekenend.)
Edele zonen—die boomen,
waarvan de vrucht hun rijkdom is,
Zijn door ’t hetaerengevogelt
wel spoedig hier van vrucht beroofd.†
En dat vuur is genaamd: Liefde
met het brandhout: Begeerlijkheid,
De vlam: Wellust, waar der mannen
rijkdom en jeugd geofferd wordt.†
Vasantasenâ (glimlachend).
Wel, wat is zijn opgewondenheid misplaatst!
Çarvilaka.
Voor onervaren ik die mannen houde,
die in de vrouw en de Fortuin vertrouwen,
Daar toch Fortuin en evenzoo de vrouwen
den kronkelgang gaan van de slangenjonkvrouw.†
Dat nimmer men voor vrouwen hartstocht voede!
want vrouwen den verliefden man verachten.
Bemin de vrouw, die zelve liefde koestert,
maar, zoo zij onverschillig is, verlaat haar.
Om winstbejag zij nu eens lachen en dan weer weenen;
Hem, wiens vertrouwen ze verwierven, ze niet vertrouwen.
Een man dan, edel van karakter en van geboorte,
Ontwijke immer de hetaeren, als grafstee-bloemen.†
En ook:
Als oceaans golven van aard beweeglijk,
als scheem’rings wolkstreep slechts een wijl’ ontgloeiend,
Verlaat de vrouw, als lak, dat uitgeperst is,
den man, dien zij beroofd heeft van zijn rijkdom.†
Voorwaar, de vrouwen zijn wuft!
Den éénen man zij in het harte dragen,
met d’ oogen zij den tweeden tot zich lokken,
Een derde weer doet haren lust ontvlammen,
en met het lichaam zij den vierden minnen.†
Goed gezegd is door iemand:
Er wast geen lotus op den top der bergen;
den last van ’t ros kunnen geen ezels dragen;
Er zal geen rijst groeien, waar gerst gestrooid is;
zoo wordt geen vrouw rein, in ’t bordeel geboren.
O boosaardige Cârudatta, verwenschte! niet langer zult ge leven! (Doet
eenige schreden.)
Madanikâ (den zoom van zijn gewaad vattend).
Ach, gij met uw ongerijmde taal! over iets ondenkbaars† wordt ge
toornig.
Çarvilaka.
En waarom dan wel iets ondenkbaars?
Madanikâ.
Deze sieraden behooren immers aan de Jonkvrouw.
Çarvilaka.
Wat dan?
Madanikâ.
En waren aan de handen van den edelen heer toevertrouwd.
Çarvilaka.
Waarom?
Madanikâ (aan zijn oor).
Wel, daarom.
Çarvilaka (beschaamd).
Helaas! den tak, in wiens schaduw
ik voor de hitte toevlucht zocht,
Juist dien tak heb ik onwetend
van zijn gebladerte beroofd.
Vasantasenâ.
Hoe, ook deze is bedroefd. Dus in onwetendheid heeft hij zoo gehandeld.
Çarvilaka.
Madanikâ, wat is nu geraden?
Madanikâ.
Hierin zijt gij zelve ervaren.
Çarvilaka.
Niet aldus! zie:
De vrouwen zijn toch, in waarheid,
alreede van nature wijs;
De wijsheid echter der mannen
wordt uit de boeken aangeleerd.
Madanikâ.
Çarvilaka, indien mijn woord wordt gehoord, dan moet ge ze dien
edelmoedige teruggeven.
Çarvilaka.
Madanikâ, en wanneer hij mij dan eens aan het paleis gaat aangeven?
Madanikâ.
Van de Maan komt geen hitte.
Vasantasenâ.
Mooi zoo, Madanikâ, mooi zoo!
Çarvilaka.
Madanikâ!
In mij is toch geen angst of vrees bij deze misdaad,
Waartoe vermeldt ge dan de deugden van dien brave?
Maar zelfs in mij wekt die verfoeide daad beschaming;
Wat deed de vorst dan wel met schelmen, zooals ik ben!
Toch is dit in strijd met de levenswijsheid, ge moet een ander middel
bedenken.
Madanikâ.
Dit is een ander middel.
Vasantasenâ.
Wat zal dat andere middel wel zijn?
Madanikâ.
Ge moet, even alsof ge een dienaar van den edelen heer waart, die
sieraden aan de Jonkvrouw brengen.
Çarvilaka.
En wanneer dat gedaan is, wat dan?
Madanikâ.
Dan zijt gij geen dief, de edele heer is vrij van zijn verplichting en
de Jonkvrouw heeft de sieraden, haar eigen goed, teruggekregen.
Çarvilaka.
Maar is dat niet al te gewaagd?
Madanikâ.
Kom, breng ze haar, anders is het al te gewaagd.
Vasantasenâ.
Mooi zoo, Madanikâ, mooi zoo! dat is gesproken als een vrijgeboorne.
Çarvilaka.
Groot inzicht heb ik verworven,
wijl ik mij richtte naar uw raad;
Een gids is moeilijk te vinden
des nachts, wanneer de maan verdween.
Madanikâ.
Wacht gij dan een oogenblikje in dit huis van Kâmadeva, terwijl ik de
Jonkvrouw uw komst bericht.
Çarvilaka.
Zoo zij het.
Madanikâ (haar naderend).
Jonkvrouw, er is, vanwege den edelen Cârudatta, een Brahmaan hier
gekomen.
Vasantasenâ.
Meisje, hoe weet ge, dat hij bij hem behoort?
Madanikâ.
Jonkvrouw, zou ik hem niet kennen, die bij mij zelf behoort?
Vasantasenâ (het hoofd schuddend, lachend, bij zich zelf).
Dat komt uit. (Luid.) Laat hij binnenkomen.
Madanikâ.
Gelijk de Jonkvrouw beveelt. (Tot hem gaande.) Kom binnen, Çarvilaka.
Çarvilaka. (verlegen naderend).
Heil U.
Vasantasenâ.
Edele, ik groet U; UEd. neme plaats.
Çarvilaka.
De veemheer doet U weten: „Door de bouwvalligheid van mijn huis valt
het mij moeilijk, dit kistje te bewaren. Wil het dus nemen.” (Hij
overhandigt het aan Madanikâ en staat op om heen te gaan.)
Vasantasenâ.
Edele, U moet ook mijn antwoord overbrengen.
Çarvilaka (bij zich zelf).
Wie zal dat overbrengen? (Luid.) Welk antwoord?
Vasantasenâ.
UEd. moet Madanikâ medenemen.
Çarvilaka.
Geachte, dat begrijp ik niet.
Vasantasenâ.
Maar ik begrijp het.
Çarvilaka.
Hoe dan?
Vasantasenâ.
De edele Cârudatta heeft tot mij gezegd: „Aan hem, die deze sieraden
zal terugbrengen, moet ge Madanikâ geven.” Dus hij geeft U haar, zóó
moet UEd. het opvatten.
Çarvilaka (bij zich zelf).
Zij heeft mij doorzien. (Luid.) Bravo, edele Cârudatta, bravo!
Zij toch op deugdzaamheid alleen
der menschen streven steeds gericht;
Met deugd voorzien is zelfs d’arme
meer dan de rijke zonder deugd.
En ook:
Naar deugdzaamheid zij steeds des menschen streven!
met deugdzaamheid is alles te bereiken.
Heeft niet door overmaat van deugd de Maan zich
gezet op Çambhu’s ongenaakbaar voorhoofd!*
Vasantasenâ.
Hé daar, voerman!
Slaaf (opkomend met een wagen).
Jonkvrouw, de wagen is gereed.
Vasantasenâ.
Meisje, Madanikâ, zie mij goed aan, ge zijt ten huwelijk gegeven,
bestijg den wagen, en denk aan mij.
Madanikâ (weenend).