VOORSPEL.

Van Hem, wiens knie omklemd is

met dubbel gewonden slang,

Zijn beenen kruislings knoopend—

Die, d’adem binnenhoudend,

alle bewustzijn verloor,

Wiens organen gestuit zijn—

Die in zich zelf het Zelf slechts,

waarvan alle daad verdween,

met het oog ziet der waarheid—

Van Çambhu hoed’ U ’t peinzen,

dat door den blik in het Niet

doet verzinken in ’t Brahman.

En ook:

U hoede van den Blauwhalz’ge

de hals, een donk’re wolk gelijk,

Waar, als de bliksemlijn, flikkert

d’arm-liane van Pârvatî.*

(Na het gebed de Tooneelleider.)

Genoeg omhaal van woorden, die de nieuwsgierigheid van het gehoor

verstoort. Aldus mij voor de edele heeren nederwerpend, doe ik hen

weten, dat wij nu besloten hebben een tooneelspel* op te voeren, dat

„Het leemen Wagentje” heet. De dichter hiervan,

Met den gang van een olifantenkoning,

een gelaat schit’rend, de volle maan gelijkend,

Met een oog als cakora*-oogen lieflijk,

van gestalt statig, van wezen ondoorgrond’lijk,

Van die tweemaal geboren* zijn de voorste,

was genaamd Çûdraka, wijd vermaard als dichter.†

En ook:

Ṛg-veda, Sâma-veda*,

minnekunst, rekenkunde,

dressuur van olifanten,

Daarin was hij ervaren;

oogen, vrij van verduist’ring,†

schonk hem Çarva’s* genade;

Als zijn zoon hij als koning

had gezien en voleindigd

een heerlijk paardenoffer*,

Op leeftijd honderdjarig,

met tien dagen vermeerderd,

Çûdraka inging ten vure.

En ook:

Op den oorlog belust en nimmer zorgloos,

met een schat boete*, de spits der Veda-kenners,

Was er Çûdraka, d’aardbehoeder, dorstend

naar den vuistkamp en des vijands olifanten.†

In dit werk van hem treedt op:

Een jonge veemheer in d’Avanti-hoofdstad*,

Brahmaan van afkomst, d’arme Cârudatta,

Dien om zijn deugden een hetaere minde,

als lente-lieflijkheid* Vasantasenâ.

Wat in verband staat met hun edel minnefeest,

gebruik van listen, de verkeerdheid van het

Recht,

Den aard eens booswichts en hoe wordt, wat worden moet —

geschilderd heeft dat alles koning Çûdraka.

(Gaat het tooneel rond en ziet om zich heen.)

Hé, onze concertzaal is leeg; waar zouden nu de tooneelspelers

heengegaan zijn? (Bedenkt zich.) Ah! ik weet het:

Leeg is de woning van den kinderlooze,

lang leeg van hem, die geen goed vriend bezit,

Den dwaas is de geheele wereld ledig,

den man, die armoe lijdt, is alles leeg.†

En het concert heb ik geëindigd. Door die langdurige deelneming aan het

concert knetteren van honger mijn oogen, waarvan de oogappels uitpuilen

als het zaad van den door de felle zonnestralen verdorden lotus in den

zomertijd. Laat ik dan de vrouw des huizes roepen en haar vragen: „Is

er eenig ontbijt of niet?” Nu moet ik wel ter wille van mijn doel en

krachtens het gebruik Prâkṛt gaan spreken.* O wee, o wee! Door de

langdurige deelneming aan het concert zijn mijn leden van honger

verwelkt als verdorde lotusstengels. Laat ik dan naar huis gaan en eens

hooren of door de huisvrouw iets is klaar gemaakt of niet. (Gaat het

tooneel rond en ziet om zich heen.) Dit is ons huis; laat ik dan

binnengaan. (Gaat binnen en ziet rond.) Wel menschen†! wat is er in ons

huis voor byzonders aan de hand? Door een stroom rijstwater is de weg

versperd; zwartgevlekt door het ronddraaien van een ijzeren ketel,

prijkt de grond als een met schoonheidsteekenen* getooide jonkvrouw;

door den liefelijken geur als het ware ontvlammend, kwelt de honger mij

nog meer. Zou dan een voormaals vergaarde† schat verschenen zijn? Of

zie ik door den honger de wereld der levenden voor rijstebrij aan? Er

is zeker geen ontbijt in ons huis. Doodelijk kwelt mij de honger. Uit

alles blijkt, dat hier byzondere toebereidselen worden gemaakt. Van de

vrouwen maalt de één kleursel, de ander vlecht bloemen. (Bedenkt zich.)

Wat is dat nu? Kom, ik zal de vrouw des huizes roepen en hooren, wat de

zaak is. (Naar de kleedkamer* ziende.) Edele, kom eens hier.

Tooneelspeelster (opkomend).

Edele, hier ben ik.

Tooneelleider.

Edele, wees welkom.

Tooneelspeelster.

UEd. bevele; wat moet ik voor U doen?

Tooneelleider.

Edele, door langdurige deelneming aan het concert enz. (Herhaalt het

vorige.) Is er in ons huis iets te eten of niet?

Tooneelspeelster.

Edele, er is van alles.

Tooneelleider.

Wat, wat is er?

Tooneelspeelster.

Bij voorbeeld: rijstebrij met suiker, gesmolten boter, zure melk,

rijst, ja, een levenselixir is voor U te eten.

Tooneelleider.

Wat! is er van alles in ons huis of houdt ge me voor den mal?

Tooneelspeelster (bij zich zelf).

Ik zal hem eens voor den mal houden. (Luid.) Edele, het is op de markt.

Tooneelleider (toornig).

O onedele, zoo moge van U een wensch worden afgesneden! Te niet zult ge

gaan, daar ge mij, evenals een zwengel-knop† eerst hoog hebt opgeheven

en toen doen nedervallen.

Tooneelspeelster.

Vergeef mij, vergeef mij, Edele, ik heb maar geschertst.

Tooneelleider.

Maar wat is hier toch voor byzonders aan de hand? de één maalt

kleursel, de ander vlecht bloemen en de grond is versierd met een

offergave van vijfkleurige bloemen.

Tooneelspeelster.

Edele, er zijn vasten begonnen.

Tooneelleider.

Hoe heeten die vasten?

Tooneelspeelster.

Ze heeten: „Vasten ter verwerving van een passend gemaal”.

Tooneelleider.

Edele, in dit of in een volgend leven?

Tooneelspeelster.

Edele, in een volgend leven.

Tooneelleider (verstoord).

Ziet eens aan, ziet eens aan, edele heeren, ten koste van mijn maal

zoekt men een gemaal voor een volgend leven!

Tooneelspeelster.

Edele, genade, genade! opdat gij ook in een volgende geboorte mijn

gemaal zoudt zijn, ben ik gaan vasten.

Tooneelleider.

Maar door wien zijn die vasten voorgeschreven?

Tooneelspeelster.

Door uw eigen lieven vriend Cûrnavṛddha.

Tooneelleider (toornig).

O slavinnenzoon Cûrnavṛddha! wanneer zal ik dan toch zien, dat koning

Pâlaka in zijn toorn U afsnijdt, als den welriekenden lokkenbundel

eener jonggehuwde!

Tooneelspeelster.

Genade, genade, Edele! ter wille van U zelven worden immers die vasten

voor het volgend leven verricht. (Valt hem te voet.)

Tooneelleider.

Edele, sta op, sta op, vertel mij, vertel mij, wie is hier bij die

vasten noodig?

Tooneelspeelster.

Daartoe moet een Brahmaan worden uitgenoodigd, die bij lieden van onze

soort past.

Tooneelleider.

Dan kunt UEd. wel gaan. En ik zal een Brahmaan noodigen, die bij lieden

van onze soort past.

Tooneelspeelster.

Het leemen wagentje: Indisch tooneelspel uit Sanskṛt en Prākṛt in het Nederlandsch vertaald · 第 27 / 131 题