Ook vreemd’ is maag van wie in voorspoed wijlen,
Maar geen de vriend van wie in nood verkeeren.†
(Luid.)
Die vrouwen, die, zich in ’t paleis bevindend,
door ’t venster halverweg te voorschijn komen,
Zij roepen mij: „Ach, Cârudatta!” tegen,
tranen vergietend als door watergeulen.
Cândâla.
Gaat op zij, Edelen, gaat op zij!
Wat ziet ge naar den goeden man,
die door de schande levens hoop verloor?
Hij is een gouden kruik gelijk,
in een put zinkend, met gebroken koord.
Cârudatta (droevig).
Met tanden, blank als van de maan de zuiv’re stralen,
Met lippen, die verrukkelijk koraal gelijken!
Nu ik van uw gelaat den nektar heb gedronken,
Hoe zal ’k onwillig het venijn der schande drinken!
De andere.