Vasantasenâ.
Nu moet men U met eerbied groeten, ga dan, bestijg den wagen en denk
aan mij.
Çarvilaka.
Heil U!—Madanikâ,
Nu moet ge deze goed aanzien,
eerbiedig neigen ’t hoofd voor haar,
Die U schonk ’t moeilijk verkrijgb’re:
de wijl’ en naam van gemalin.*
(Dan bestijgt hij met Madanikâ den wagen en begint voort te rijden.)
Stem achter het tooneel.
Hé daar, hé! De koningszwager maakt bekend: „Die jonge koeherder
′Aryaka is door koning Pâlaka uit vrees, dat men geloof zoude slaan aan
de voorspelling,† dat hij koning zal worden, van het veepark
heengevoerd en in een gruwlijken kerker gekluisterd. Blijft dus allen
zorgvuldig op uw post.”
Çarvilaka (het hoorend).
Hoe, door koning Pâlaka is mijn lieve vriend ′Aryaka gebonden. En juist
ben ik een vrouw rijk geworden. Helaas! En toch:
Twee dingen zijn op aarde boven alles
den mannen lief: de vriend en de beminde.
In dezen echter is de vriend mij verre
zelfs boven honderd schoonen te verkiezen.