HET TOEVERTROUWEN DER SIERADEN

Maitreya (opkomend met een mantel in de hand).

Noodig een anderen Brahmaan; ik ben vandaag bezet. En toch, zelfs ik,

Maitreya, moet wel datgene eten, waartoe een vreemde mij uitnoodigt.

Ach! als ik onzen toestand vergelijk met vroeger. Ik, die eens door de

welvaart van dien achtenswaardige, den edelen Cârudatta, slechts met

dag en nacht zorgvuldig toebereide, welriekenden geur verspreidende

lekkernijen gespijzigd, aan de deur van ons binnenhuis neergezeten,

door wel honderd schoteltjes omringd, als een schilder, ze met de

vingers beurtelings aanraakte en weer wegschoof—als een stier op een

stadsplein stond ik te herkauwen—keer thans door zijn armoede, na her-

en derwaarts te hebben rondgezworven, als een tamme duif hier weer om

te overnachten. Door den lieven vriend van den edelen Cârudatta,

Cûrnavṛddha, is deze met jasmijngeur doortrokken mantel gezonden, om

hem aan den edelen Cârudatta te overhandigen, wanneer hij zijn

godsdienstplichten heeft vervuld. Laat ik dus naar den edelen Cârudatta

uitzien. (Gaat het tooneel rond en ziet om zich heen.) Daar komt de

edele Cârudatta juist hierheen, terwijl hij, na vervulling zijner

godsdienstplichten, den huisgoden de offergave biedt.

(Dan komt Cârudatta op, gelijk is aangeduid, met Radanikâ.)

Cârudatta (ten hemel ziende en moedeloos zuchtend).

Waar van den drempel mijner woning onz’ offergave

Eens snel verslonden werd door zwanen en reigerscharen,

Valt op dien drempel, waar nu halmen van gras ontspruiten,

Een handvol zaad slechts, dat de monden der wormen lekken.

(Gaat langzaam het tooneel rond en zet zich neder.)

Vidûshaka*.

Daar is de edele Cârudatta. Laat ik hem thans naderen. (Komt nader.)

Heil U! Moge het U wèl gaan.

Cârudatta.

Wel, mijn vriend te allen tijde Maitreya hier! Vriend, welkom, zet U

neder.

Vidûshaka.

Zooals U beveelt. (Zet zich neder.) Zie, vriend, deze met jasmijngeur

doortrokken mantel is door uw lieven vriend Cûrnavṛddha gezonden met de

woorden: „Gij moet hem aan den edelen Cârudatta geven, als hij zijn

godsdienstplichten heeft vervuld.” (Overhandigt hem, Cârudatta neemt

hem en blijft in gepeins.) Wel, waar peinst gij over?

Cârudatta.

Vriend!

Hoe schoon is hem vreugde, die leed verduren moest,

Een lamp gelijk, lichtend in dikke duisternis;

Maar wie van voorspoed tot behoeftigheid vervalt,

Wel leeft zijn lichaam, maar zijn leven is de dood.†

Vidûshaka.

Wel, vriend, van dood en armoede, welke van beide schijnt U

verkieselijk?

Cârudatta.

Vriend!

Zoo ’k één van beide kiezen moet,

mij dood, niet armoede behaagt;

Want korte kwelling is de dood,

maar d’armoed’ eindelooze ramp.

Vidûshaka.

Kom, vriend, genoeg U gekweld. Daar gij uw vermogen deedt overgaan op

hen, die U dierbaar zijn, is uw verlies ook ten zeerste liefelijk, als

van de maan, die weer gaat wassen, wanneer zij nog slechts een

overschot vormt van dat, wat door de goden werd gedronken.*

Cârudatta.

Vriend, niet om mijn rijkdom ben ik treurig. Zie:

Dit pijnigt mij, dat onze woning de gasten mijden,

Nu zij haar rijkdom heeft verloren, als honingbijen

Zwervend den olifant verlaten, wanneer de paartijd

Voorbijgegaan en aan zijn slapen het vocht gedroogd is.*

Vidûshaka.

Maar, vriend, die slavinnenzonen, die nietswaardige schatten, gaan

immers, evenals herdersjongens, die bang zijn voor wespen, steeds

daarheen, waar ze met rust gelaten worden.†

Cârudatta.

Vriend!

Voorwaar, ik peins niet om ’t verliezen van mijn vermogen,

Want schatten komen en verdwijnen door lotsbeschikking;

Maar dit mij pijnigt, dat in vriendschap men gaat verslappen

Voor wie den steun van zijnen rijkdom zich zag ontvallen.

En ook:

Door armoe wordt een man vervuld van schaamt,

door schaamte dan van waardigheid beroofd,

Van waardigheid ontbloot, wordt hij veracht,

verachting voert hem tot kleinmoedigheid,

Den moedelooze overwint de smart,

door smart gekweld, verliest hij het verstand,

Verstandeloos daalt hij ten ondergang—

ach, armoed’ is de zetel aller ramp!†

Vidûshaka.

Kom, vriend, genoeg U gekweld, door aan dien nietswaardigen rijkdom te

denken.

Cârudatta.

Vriend, armoede is immers voor den mensch:

Woonplaats der zorg, vernedering, ja een soort veete,

Afschuw van vrienden, bron van haat voor bloedverwanten;

Veracht zelfs door zijn vrouw, kiest men het woud tot woning;

Het vuur der smart verbrandt niet, maar verschroeit het harte.

Nu, vriend, door mij is aan de huisgoden de offergave gebracht; ga gij

nu ook en bied op den viersprong den Moeders* d’offergave aan.

Vidûshaka.

Ik zal niet gaan.

Cârudatta.

Waarom?

Vidûshaka.

Daar de godheden, zóó vereerd, toch niet genadig zijn, wat baat het

dan, de goden te dienen?

Cârudatta.

Vriend, niet aldus! Voor den gṛhastha* is dit steeds regel:

Wie, vrij van hartstocht, door boete,

door geest en woord en offergift

De goden eert, verwerft immer

hun gunst—waarom dan weifelt gij?

Ga dus, bied den Moeders d’offergave aan.

Vidûshaka.

Neen, ik zal niet gaan. Ge moet iemand anders daarmee belasten. Bij

mij, Brahmaan, komt alles averechts uit, zooals bij een beeld in den

spiegel rechtsch wordt, wat linksch is, en linksch, wat rechtsch is. En

bovendien: zoo in den avondstond zwerven hier op den grooten weg

hetaeren, hovelingen†, slaven en gunstelingen des konings. Dus zou ik

zijn als de muis, die voor den muil kwam van de zwarte slang, toen deze

begeerig was naar kikkers.* Wat wilt ge dan, hier neergezeten, doen?

Cârudatta.

Welnu, blijf dan. Ik wil mijn gebeden volbrengen.

Stem achter het tooneel.

Blijf staan, Vasantasenâ, blijf staan!

(Dan komt Vasantasenâ op, achtervolgd door hoveling, koningszwager en

slaaf.)

Hoveling.

Vasantasenâ, blijf staan, blijf staan!

Wat vlucht ge henen, uwe zachtheid van schrik verwisseld,

Uw voeten reppend, in het oef’nen der dans bedreven,

Ontstelde, weifelende blikken ter zijde richtend,

Als d’antilope, de vervolging der jagers duchtend!

Koningszwager.

Blijf staan, Vasantasenikâ*, blijf staan!

Wat gaat ge, loopt ge, en ontvlucht ge, gedurig struiklend!

Blijf staan toch, meisje, wees genadig: ge zult niet sterven.

Wordt niet mijn ongelukkig harte verteerd van liefde,

Zooals een in een stapel kolen gevallen vleesch-stuk!

Slaaf.

Jonkvrouw†, blijf staan, blijf staan!

Gij schijnt, ontsteld uit mijn nabijheid vluchtend,

Een pauw, wier staart ’s zomers zich voller uitspreidt;

Mijn heer en meester, die U hup’lend naloopt—

Een jonge haan, die in het woud verblijf houdt.

Hoveling.

Vasantasenâ, blijf staan, blijf staan!

Wat loopt ge voort, gelijk een jonge banaanstam trillend,

In ’t rood gewaad, waarvan de franje de wind doet wap’ren,

Uitstrooiend menigte van roode nymphaea-knoppen,

Als een met beitelen gespleten realgar*-groeve!

Koningszwager.

Blijf staan, Vasantasenikâ, blijf staan!

Gij doet mijn liefde, mijn verlangen, mijn hartstocht† groeien;

Gij doet de sluimering des nachts van mijn leger vlieden.

Al vlucht ge struikelend en stromp’lend, bevreesd van vreeze,

Als Kuntî Râvana*, zoo heb ik U thans bemachtigd!

Hoveling.

Vasantasenâ!

Waarom, uw schreden van mijn schreden verwijd’rend, gaat ge,

Een slang gelijk, vervuld van vrees voor den vorst der vog’len*!

Wel zou den wind in zijne vaart mijn gezwindheid stuiten,

Maar U, voortref’lijke, te grijpen, is niet mijn pogen.

Koningszwager.

Meester, Meester!

Zij is het zweepje van Kâma*, den duitendief,

zij is een vischeetster*, een danseres,

Eén zonder hoofd†, een familieverderfster,

z’ is een losbandig’, een mandje der Min,

Z’ is een bordeelvrouw, een bordeelbewoonster,

z’ is een bordeelsche, een

bordeelvriendin†,

Deze tien* namen heb ik haar gegeven,

en toch nog altijd begeert ze mij niet!

Hoveling.

Wat ijlt ge voort, van schrik bevangen gelijk een reiger,

Die voor het donderen bevreesd is der regendragers,

Terwijl de slingerende ringen uw wangen schaven,

Als waart g’een luit, die met den nagel een hov’ling tokkelt.

Koningszwager.

Verzeld van ’t rinkelend geluid van uw talrijk sieraad,

Wat vliedt ge, Draupadî gelijkend, bevreesd voor Râma!

Zoo dadelijk zal ik U grijpen, gelijk Hanûman

Eertijds Subhadrâ heeft gegrepen, de zuster Vishnu’s.*

Slaaf.

Bemin des konings gunsteling,

Dan wordt g’onthaald op visschevleesch—

Ja, zulke visch, waarvoor een hond

Niet langer bij een lijk verwijlt.

Hoveling.

Geachte Vasantasenâ!

Wijl gij den gordel-bundel, schit’rend als stargeflonker,

Opheft, die vastgehouden wordt door der heupen glooiing,

En afgewischt van uw gelaat is ’t realgar-poeder—

Wat loopt ge bevend voort, gezwind, als der stede godheid!

Koningszwager.

Onstuimig door ons achternageloopen,

Gelijk een jakhals in het woud door honden,

Ontvlucht ge snel, haastiglijk, met gezwindheid,

Mijn hart en tulband met U medevoerend.

Vasantasenâ.

Pallavaka, Pallavaka! Parabhṛtikâ, Parabhṛtikâ!

Koningszwager (bevreesd).

Meester, Meester, een man, een man!

Hoveling.

Vrees niet, vrees niet.

Vasantasenâ.

Mâdhavikâ, Mâdhavikâ!

Hoveling (lachend).

Dwaas, zij zoekt haar geleide.

Koningszwager.

Meester, Meester, zoekt zij een vrouw?

Hoveling.

Welzeker.

Koningszwager.

Vrouwen dood ik wel honderd. Ik ben een held!

Vasantasenâ (in het ledig ziende).

O wee, o wee! Hoe, is mijn geleide verdwenen? Dan zal ik zelf mij

moeten beschermen.

Hoveling.

Zoek haar, zoek haar.

Koningszwager.

Vasantasenikâ, al jammert ge om Parabhṛtikâ, of Pallavaka of de heele

lentemaand*, wie zal U beschermen voor mijn vervolging?

Noch Bhîmasena, Jamadagni’s zone,

Geen telg van Kuntî, noch de vorst van Lankâ!

Duhçâsana kies ik mij thans ten voorbeeld,

Met mijne hand U bij de haren grijpend.*

Zie dan toch, zie!

Het zwaard goed-scherp! de schedel reeds gevallen!

Houwt haar het hoofd af of wel doet haar sterven!

Staak toch dat vluchten, dat U niet mag baten;

Wie sterven moet, blijft immers niet in leven!

Vasantasenâ.

Edele, ik ben immers een zwakke vrouw.

Hoveling.

Daarom juist blijft ge in leven.

Koningszwager.

Daarom juist zult ge niet sterven.

Vasantasenâ (bij zich zelf).

Hoe, ook zijn vriendlijkheid veroorzaakt vrees. Komaan dan! (Luid.)

Edele, is het U om mijn sieraden te doen?

Hoveling.

Dat kwaad zij verre, dat kwaad zij verre! Geachte Vasantasenâ, de liane

in den hof mag men niet van haar bloemen berooven. Spreek dus niet van

uw sieraden!

Vasantasenâ.

Maar wat wilt ge dan?

Koningszwager.

Mij, den godmensch, den man, den Vâsudeva* moet ge beminnen.

Vasantasenâ (toornig).

Dat kwaad zij verre! Ga heen, onedel spreekt ge.

Koningszwager (in de handen klappend en lachend).

Meester, Meester, zie eens aan! Hoe byzonder vriendelijk is deze

hetaere, daar ze tot mij zegt: „Ga heen, ge gaat te verre!† ge zijt

vermoeid, ge zijt afgemat.” Ik ben toch niet naar een ander dorp gegaan

of naar een stad gegaan. Jonkvrouw, ik zweer bij het hoofd van den

Meester, met mijn eigen voeten: door U achterna te loopen, ben ik

vermoeid en afgemat geworden.

Hoveling (bij zich zelf).

Wel, hoor eens aan! Terwijl „kwaad” gezegd wordt, verstaat de dwaas

„gaat”. (Luid.) Vasantasenâ, in strijd met het verblijf in een bordeel

is door U gesproken. Zie:

Bedenk: van jonge lieden begeleid

is zij, die een bordeel tot woning heeft†

En overweeg: gij, een hetaere, zijt

als de liane, aan den weg gegroeid.

Gij draagt een lichaam, dat, voor geld te krijg,

immers geworden is tot handelswaar;

Bedien, mijn waarde, dan gelijklijk elk,

of hij U welgevallig zij of niet.

En ook:

In één vijver zich baadt d’aanzienlijke Brahmaan

en ’t domme Cândâla*-volk;

Wèl buigt onder de kraai de bloeiende liaan,

die ook de pauw buigen doet;

Brahmaan, Kshatriya, Vaiçya* kruisen de rivier,

met d’and’ren in ’t zelfde schip:

Gij zijt als de liaan, de vijver en het schip—

hetaere, heb ieder lief!

Vasantasenâ.

Voortreflijkheid immers is oorzaak van liefde, maar niet

gewelddadigheid.

Koningszwager.

Meester, Meester! die geboren slavin is, sedert zij hem zag in Kâma’s*

tempelhof, verliefd op den armen Cârudatta: daarom bemint ze mij niet.

Links staat zijn huis. Maak, dat ze niet aan onze hand ontsnapt,

Meester!

Hoveling (bij zich zelf).

Juist wat de dwaas voor zich moest houden, daar loopt hij mee te koop!

Hoe, Vasantasenâ verliefd op den edelen Cârudatta! Naar waarheid zegt

men toch: „De paarl verbindt zich met de paarl.” Laat zij† dan gaan,

wat geef ik om dien dwaas! (Luid.) Bastaard, links staat het huis van

den veemheer?

Koningszwager.

Zeker, links staat zijn huis.

Vasantasenâ (bij zich zelf).

Wat hoor ik! „Links staat zijn huis” zegt hij. Waarlijk! die misdadige

booswicht heeft een samenkomst met den geliefde bewerkt.

Koningszwager.

Meester, Meester, hoe dicht is de duisternis; als in een hoop boonen

een balletje zwartsel, is Vasantasenikâ, daareven nog gezien,

verdwenen!

Hoveling.

O hoe dicht is de duisternis! Immers:

Vér-ziend, door ’t ingetreden donker plots’ling afgesneden,

Hoewel geopend, schijnt mijn oog door duisternis gesloten.

En ook:

Het donker schijnt de leden te bestrijken

met zwarte zalf, die van den hemel

regent;

Gelijk een dienst, onwaardigen bewezen,

zoo is ’t gezicht thans nutteloos

geworden.†

Koningszwager.

Meester, Meester! ik zoek Vasantasenikâ.

Hoveling.

Bastaard! is er eenig teeken, waar gij op let?

Koningszwager.

Meester, Meester! wat dan?

Hoveling.

Het geluid der sieraden, of de welriekende geur van den krans.

Koningszwager.

Ik hoor wel den geur van den krans, maar, daar mijn neus door de

duisternis verstopt is, zie ik niet zeer duidelijk het geluid der

sieraden.

Hoveling (zacht tot Vasantasenâ).

Vasantasenâ!

Schoon door het donker van den avond ge niet gezien wordt,

Zooals de bliksem, in de plooien der wolk verborgen,

Toch zal de geur, dien uwe bloemen verspreiden, schuchtre,

U kenbaar maken, en het bab’lende voetensieraad.

Gehoord, Vasantasenâ?

Vasantasenâ (bij zich zelf).

Gehoord en aangenomen! (Doet of zij de voetringen en den krans aflegt

en loopt eenigen tijd rond, met de hand tastend.) Ah, door betasting

van den muur bespeur ik, dat dit de zijdeur is, en ik bemerk aan de

verbinding met het huis, dat de zijdeur gesloten is.

Cârudatta.

Vriend, ik heb mijn gebeden geëindigd. Ga dan nu, bied den Moeders

d’offergave aan.

Vidûshaka.

Neen, ik zal niet gaan.

Cârudatta.

Helaas!

Door armoe komt, dat naar de woorden van een man

geen bloedverwant luist’ren wil;

Zijn liefste vrienden wenden d’oogen van hem af;

zijn rampen vermeerd’ren zich;

Zijn geestkracht wordt gedoofd, de lieflijkheid verwelkt

van zijne karakter-maan;

Een misdaad, zij die ook door anderen begaan,

toch wordt ze hem toegedicht.

En ook:

Niemand, die met den arme samenkomst begeert,

hem aanspreekt met heuschen groet;

Op feesttijd, als der rijken woning hij bezoekt,

wordt spottend hij aangezien;

Vèr gaat hij van de groote menigte, beschaamd,

daar luttel zijn kleeding is;

Armoede mag den grooten zonden, naar mij schijnt,

als zesde zijn toegevoegd!

En ook:

Armoede! ach, U zelfs moet ik beklagen,

daar g’ in ons lichaam als een vriend gewoond hebt;

Waar zult ge heengaan, dit is mijn gedachte,

als ik, rampzalige, zal zijn bezweken.

Vidûshaka (beschaamd).

Welnu, vriend, wanneer ik dan gaan moet, laat Radanikâ mij ten minste

vergezellen.

Cârudatta.

Radanikâ, begeleid Maitreya.

Radanikâ.

Zooals UEd. beveelt.

Vidûshaka.

Geachte Radanikâ! neem de offergave en de lamp. Ik zal de zijdeur open

maken. (Aldus doet hij.)

Vasantasenâ.

Als ware het, om mij te hulp te komen, heeft men de zijdeur geopend;

laat ik dus binnengaan. (Licht ziende.) O wee, o wee! een lamp! (Waait

ze met een slip van haar kleed uit en treedt binnen.)

Cârudatta.

Maitreya, wat is dat?

Vidûshaka.

Door den wind, bij het openen der deur saamgeperst, is de lamp

uitgeblazen. Geachte Radanikâ, ga gij door de zijdeur naar buiten; ik

kom terug, wanneer ik binnen de lamp weer heb aangestoken. (Af.)

Koningszwager.

Meester, Meester! ik zoek Vasantasenikâ.

Hoveling.

Zoek haar, zoek haar!

Koningszwager (doet aldus).

Meester, Meester! ik heb haar, ik heb haar!

Hoveling.

Dwaas, dat ben ik!

Koningszwager.

Kom dan naar dezen kant, Meester, en blijf daar afgezonderd staan.

(Zoekt weer en grijpt den slaaf.) Meester, Meester! ik heb haar!

Slaaf.

Heer, ik ben het, uw slaaf.

Koningszwager.

Hier de Meester, daar de slaaf. De Meester, de slaaf, de slaaf, de

Meester. Blijf gij dan een eindje ter zijde staan. (Zoekt weder en

grijpt Radanikâ bij de haren.) Meester, Meester! nu heb ik dan toch

Vasantasenikâ gegrepen!

Mij in het duister ontvluchtend,

verraden door den bloemengeur,

Is zij gevat bij haar lokken,

als door Cânakya Draûpadî.*

Hoveling.

Gij, die, in d’ overmoed der jeugd,

naloopt een zoon van ed’len stam,

Wordt bij die lokken, vol bloemen,

verzorgenswaard—thans voortgesleurd!

Koningszwager.

Nu zijt ge, meisje, bij het hoofd gegrepen

En bij de lokken, en de vlecht en ’t hoofdhaar!

Ja, roep om hulp, jammer en weeklaag luide

Tot ′Içvara, Çankara, Çiva, Çambhu!*

Radanikâ (bevreesd).

Wat hebben de edele heeren in den zin?

Hoveling.

Bastaard, dat is een andere stem!

Koningszwager.

Meester, Meester! zooals een kat, zeer begeerig naar melkkost, haar

stem verandert, zoo heeft ook de slavinnendochter haar stem veranderd.

Hoveling.

Hoe, zij heeft haar stem veranderd? Wel, dat is vreemd! En toch, wat is

hier vreemd?

Door op ’t tooneel te verschijnen,

door der kunsten bedrevenheid,

En des bedriegens ervaren,

steunt z’ op der stemme buigzaamheid.

Vidûshaka (optredend).

Kijk, kijk! door den zachten avondwind siddert het lamplicht als het

hart van een bok, die naar de offerplaats wordt gevoerd. (Nader komend

en Radanikâ aldus ziende.) Geachte Radanikâ!

Koningszwager.

Meester, Meester! een man, een man!

Vidûshaka.

Is dat nu passend, is dat nu voegzaam, dat ten gevolge van de armoede

van den edelen Cârudatta vreemde lieden zijn huis binnendringen†!

Radanikâ.

Edele Maitreya, zie toch, hoe men mij beleedigt!

Vidûshaka.

Wordt gij of worden wij beleedigd?

Radanikâ.

Ook gij immers.

Vidûshaka.

Wat, is dit gewelddadigheid?

Radanikâ.

Wat anders?

Vidûshaka.

In waarheid?

Radanikâ.

In waarheid.

Vidûshaka (toornig zijn stok opheffend).

Niet aldus! In zijn eigen huis wordt zelfs een hond boos, hoeveel te

meer ik, een Brahmaan! Met dezen stok, die krom is als het levenspad

van ons-gelijken, zal ik uw hoofd met slagen kneuzen, alsof ge een

ellendige, verdorde rietstengel waart.

Hoveling.

Groot Brahmaan, vergeef mij, vergeef mij!

Vidûshaka (den hoveling ziende).

Niet deze is hier de schuldige. (Den koningszwager ziende.) Dat is de

schuldige. Wel, wel, koningszwager, Samsthânaka, booswicht, is dat nu

passend? Al is ook die achtenswaardige, de edele Cârudatta arm

geworden, is Ujjayinî dan niet met zijn deugden gesierd, dat men, zijn

huis binnengedrongen, zijn bedienden dusdanige beleediging aandoet?

Geen schande, zegt men: „Hij is arm.”

Voorwaar, het Noodlot kent geen arme;†

Arm is de man, hoe rijk hij zij,

die zich ontdeed van goeden wandel.†

Hoveling (beschaamd).

Groot Brahmaan, vergeef mij, vergeef mij! Doordat zij voor een ander

werd aangezien, is dit bedreven, niet uit overmoed. Zie:

Het leemen wagentje: Indisch tooneelspel uit Sanskṛt en Prākṛt in het Nederlandsch vertaald · 第 30 / 131 题