AANTEEKENINGEN.

N.B. Met St. wordt Stenzler’s uitgave van de Mṛcchakaṭikâ aangeduid,

met Calc. I de Calcutta-editie van 1829, met Calc. II die van 1876 en

met Calc. III die van 1891.

W. is Wilson’s vertaling van de Mṛcchakaṭikâ, R. die van Reignaud, A.

die van Böhtlingk en Fr. die van Fritze.

P.W. is het Petersburgsch Woordenboek.

Blz. XI 4). H. H. Wilson. Select Specimens of the Theatre of the

Hindus. Translated from the original Sanskrit. Calcutta 1827; 2d Ed.

London 1834; 3d Ed. London 1871.

Theater der Hindus. Aus der Englischen Uebertragung des Sanskrit

Originals von H. H. Wilson, metrisch übersetzt von O. L. B. Wolff.

Weimar 1828–1831.

Chefs d’œuvre du théatre indien traduit de l’original sanskrit en

anglais par H. H. Wilson et de l’anglais en français par Langlois,

accompagnés de notes et d’éclaircissemens et suivis d’une table

alphabétique. Paris 1828.

Mery et Gérard de Nerval. Le Chariot d’enfant, drame en vers,

traduction du drame indien du roi Soudraka. Paris 1850.

Hippolyte Fauche. Une tétrade, ou drame, hymne, roman et poëme,

traduits pour la première fois en français. Paris 1861 (I. La

Mritchakatika, le petit Chariot d’argile, drame en dix actes).

Paul Regnaud. Le Chariot de Terre cuite (Mricchakatika) drame sanscrit

attribué au roi Çûdraka, traduit et annoté des scolies inédites de

Lallâ Dîkshita. 4 Tomes. Paris 1876–77.

Victor Barrucand. Le Chariot de Terre cuite d’après la Mṛcchakaṭikâ.

Paris 1895.

Otto Böhtlingk. Mṛcchakaṭikâ d.i. Das irdene Wägelchen, ein dem König

Çûdraka zugeschriebenes Schauspiel. St. Petersburg 1877.

Ludwig Fritze. Mricchakatika oder das irdene Wägelchen. Ein indisches

Schauspiel. Metrisch übersetzt. Chemnitz 1879.

Emil Pohl. Vasantasenâ, Bühnenbearbeitung in 5 Akten. Stuttgart 1892.

Michael Haberlandt. Vasantasenâ oder das irdene Wägelchen. Ein

altindisches, dem König Çûdraka zugeschriebenes Schauspiel. Frei

wiedergegeben. Leipzig 1893.

Hermann Camillo Kellner. Vasantasenâ oder das irdene Wägelchen

(Mṛicchakaṭikâ). Ein indisches Schauspiel in zehn Aufzügen, von König

Çûdraka. Leipzig. Verlag von Philipp Reclam Jun.

C. Kossowitsch’ Russische vertaling verscheen in den „Moskwitjanin”,

September 1849 (Buitenl. Letterk.).

E. Brandes. Lervognen, et Indisk Skuespil. Kjöbenhavn 1870.

Michele Kerbaker. Il Carruccio di Creta, waarvan, naar de vertaler mij

meldt, slechts vijf bedrijven zijn verschenen, het eerste met inleiding

in de Revista Europea di Firenze, 1872, de overige vier in het Giornale

Napoletano, 1878–79.

Blz. XII 1). Bij het navolgen der Indische metra in Hollandsche verzen

kan het kwantiteitsverschil niet anders dan door verschil in klemtoon

worden weergegeven; echter is het niet wel doenlijk en m.i. ook

onnoodig, steeds iedere lange lettergreep door een beklemtoonde, iedere

korte door een onbeklemtoonde te vervangen, waarbij men bovendien in

aanmerking neme, dat een dergelijk kenmerkend onderscheid, als bestaat

tusschen lange en korte lettergrepen in het Indisch, bij beklemtoonde

en niet-beklemtoonde ontbreekt.

In het algemeen heb ik er naar gestreefd, met behoud van het aantal

lettergrepen van den versregel, een vorm te kiezen, die op het gehoor

zooveel mogelijk denzelfden indruk maakt als de Indische versmaat. Op

deze wijze behield ik çloka, vasantatilaka, trishṭubh (upajâti,

upendravajrâ) en vaṃçasthavila.

Het çârdûlavikrîḍita-metrum heb ik soms in den oorspronkelijken vorm,

soms in jamben- (of dactylen-) maat weergegeven.

Bij metra, die een opeenvolging van verscheidene korte of lange

lettergrepen bevatten, bepaalde ik mij er toe, syllaben-aantal en

caesuur-indeeling te behouden (sragdharâ) of koos een geheel

afwijkenden vorm (mâlinî, pushpitâgrâ, çikhariṇî). In ’t laatste geval

nam ik een enkele maal een ander Indisch metrum.

De ârya-strofe scheen mij in een Nederlandsch vers zelfs niet bij

benadering weer te geven; doorgaans bezigde ik bij het vertalen daarvan

den jambus, een enkele maal den trochaeus. Bij de groote moeilijkheid,

die het metrisch vertalen oplevert, zullen mij, hoop ik, vergrijpen

tegen het geslacht der substantiva (der dans, der lust) niet te zwaar

worden aangerekend.

Blz. 1. R. 28. Hoewel het Indisch metrum behoudend, noopte mij de

omschrijving der samenstellingen een tweeregelig couplet door een

drieregelig weer te geven.

Blz. 2. R. 6. Vyapagatatimire cakshushî copalabhya (St. 1:16) door B.

vert.: „hatte er sein getrübtes Augenlicht wieder erlangt”, heb ik in

overdrachtelijken zin opgevat, evenals W.: „he enjoyed eyes uninvaded

by darkness”, en R.: „ses yeux virent disparaître l’obscurité (de

l’ignorance).”

Blz. 2. R. 18. Paravâraṇabâhuyuddha- (St. 2:1) door vorige vertalers

als tatpurusha-, door mij als dvandva-samenstelling opgevat. „Ein

Faustkampf mit eines Gegners Elefanten” (B.) schijnt mij in verband met

het overige omtrent koning Çûdraka meegedeelde wel wat al te

overdreven.

Blz. 2. R. 34. Deze ârya-strofe (St. 2:9–11) in ongeveer dezelfde

bewoordingen, maar in çloka-vorm komt voor Hit. I, 120 (ed. Schl.-L. p.

30, 12–14), volgens W. ook in het Pan̄c, waar ik ze echter niet vond, en

volgens R. ook in Câṇakya en in de Vikramorvaçî (Indische Sprüche, Spr.

151 en 249).

Blz. 3. R. 1. Hîmâṇahe (St. 2:19) weergeg. door Skr. âçcaryaṃ is toch

eigenlijk wel niets anders dan Skr. hî mâṇavâḥ (Vgl. St. 79:8). Als

Prâkṛt-vorm van âçcaryaṃ komt St. 172:6 accariaṃ voor.

Blz. 3. R. 6. Puvvaviḍhattaṃ ṇihâṇaṃ (St. 2:23) vert. B, „ein ehemals

vergrabener Schatz.” Ik betwijfel, of deze beteekenis aan vidadhâti mag

worden toegekend en kies liever de gewone beteekenis: „vormen, tot

stand brengen,” enz. (P.W. i. v.).

Blz. 3. R. 35. Varaṇḍalambuo (St. 3:17) door W. met „a ball on a turret

top,” door B. met „eine Fahne,” door Fr. met „ein Brunnenschwengel”

weergegeven. Bij de volkomen onzekerheid omtrent de ware beteekenis van

dit woord, scheen het mij het veiligst, (tenzij men het met R.

onvertaald wil laten) mij aan den Comm. te houden en wel aan den door

Stenzler aangehaalden (die bij R. levert geen verstaanbaren zin op),

hoewel de bedoeling van mṛttikâsthûṇaḥ niet duidelijk is (voor dvaram

leze men dûram). In elk geval zou het woord iets aanduiden, dat aan het

einde van den pompzwengel (varaṇḍa) is bevestigd (niet de pompzwengel

zelf, zooals Fr. meent), terwijl aan het andere uiteinde de emmer

hangt, zoodat inderdaad bij het water-putten de varaṇḍa-lambuo eerst

hoog wordt opgeheven en dan weer nedervalt.

Blz. 7. R. 12. Letterlijk: Vastgehouden door het lichaam, leeft hij

dood [zijnde] (St. 7:13).

Blz. 7. R. 35. Deze plaats (St. 8:2–5) vert. B.: „Diese Söhne von

Sklavinnen mit ihrem Bischen Gelde machen es ja wie die vor Wespen sich

fürchtenden Hirtenknaben im Walde: sie gehen immer nur dahin, wo sie

nicht ausgesogen werden.” Dezelfde opvatting heeft Fr.; ook R. en W.

beschouwen dâsîeuttâ, als slaande op de zelfzuchtige vrienden, waarvan

Câr. heeft gesproken.

Het is echter duidelijk, dat de vergelijking met de herdersjongens, die

bang zijn door wespen te worden „gegeten”, deze opvatting niet toelaat.

Ook is atthakallavattâ hier ongetwijfeld hetzelfde als 8:15 en dus niet

als bahuvrîhi op te vatten (vgl. ook itthîkallavatta 60:19). Ten slotte

wijs ik nog op Pañc. I, 278, waar gezegd wordt: kṛpaṇânusâri ca dhanaṃ.

Zooals men ziet, heb ik khajjanti eenigszins vrij vertaald.

Blz. 8. R. 9. Dit vers (St. 8:11–15) in eenigszins gewijzigden vorm ook

Hit. I, 128 (ed. Schl.-L. p. 31, 11–15).

Blz. 8. R. 39. Met „hoveling” vertaal ik, evenals Fr., Skr. viṭa,

hoewel deze vertaling ongetwijfeld niet geheel juist is. Zij scheen mij

echter te verkiezen boven de vertaling van B. „Schmarotzer”, daar toch,

zooals W. terecht opmerkt de viṭa „evinces something of the character

of the Parasite in the Greek comedy, but that he is never rendered

contemptible.” (H. Th. XLVII). W. en R. behouden het Skr.-woord.

Blz. 9. R. 17. Ajjuâ, (St. 10:2) door B. vertaald met „Hetäre” (ook in

het P.W.) houd ik voor een vereerenden titel (Prâkṛt-diminutief van

âryâ) Fr. vert. een enkele maal „Hetäre” (p. 20), gewoonlijk „Herrin,

Gebieterin”; ook deze vertaling scheen mij minder juist, daar niet

alleen Vasantasenâ’s onderhoorigen haar zoo betitelen, maar ook de

çakâra (13:8); diens slaaf (10:2), de sambâhaka (37:3, 6, 9, 19), die

haar ook ajje noemt (36:2,8), Radanikâ (94:20) en Candanaka (102:22).

Beter is „lady” bij W. en „madame” bij R.

Blz. 9. R. 30. Mama maaṇam aṇan̄gaṃ bammahaṃ (St. 10:13) vert. B. „Meine

Liebe, den körperlosen Liebesgott”. Eerder geloof ik met het oog op des

çakâra’s voorliefde voor synoniemen (vgl. 10:25; 116:16, 17; 136:11,

12, 13), dat wij hier met drie substantieven te doen hebben.

Blz. 10. R. 5. ṇîçâçâ (St. 10:24) kan bezwaarlijk aan Skr. nirnâsa

beantwoorden, dat eerder ṇiṇṇâça of ṇîṇâça zou hebben opgeleverd; is

misschien ṇîçîçâ te lezen?

Blz. 10. R. 8. Veçavahû çuveçaṇilaâ veçan̄gaṇâ veçiâ (St. 10:25) bij B.:

„eine Hurenmutter, eine Zierpuppe, eine Metze, und eine Hure”,

blijkbaar vier samenstellingen met veça van gelijke beteekenis:

veçavahû en veçan̄gaṇâ = bordeelvrouw; veçiâ lett. bordeelsche;

çuveçaṇilaâ = een, die in een goed bordeel woont.

Blz. 12. R. 7. Om de woordspeling santaṃ-çante (St. 13:7) weer te geven

heb ik „ge gaat te verre” ingevoegd; ook de uitleg, die dan door den

viṭa wordt gegeven, ondergaat hierdoor eenige wijziging.

Blz. 12. R. 16. Letterlijk: Door jonge lieden begeleid moet het

verblijf in een bordeel worden gedacht (St. 13:13).

Blz. 12, R. 41. Gacchatu (St. 14:5) wordt door B. op den çakâra

toegepast: „ich lasse ihn laufen.”

Blz. 13, R. 17. Op dit vers (St. 14:16–18) berust bijna geheel

Pischel’s betoog ten gunste van Daṇḍin’s auteurschap der Mṛcch; het

komt nl. ook voor Kâvyâdarça 2,226, een rhetorisch werk, waarin Daṇḍin

steeds verzen van eigen maaksel als voorbeeld bezigt. Dus is, meent

Pischel, ook dit vers en bij gevolg de geheele Mṛcch. het werk van

Daṇḍin. Zie: Rudraṭa’s Çṛn̄gâratilaka enz. (p. 16 vlg.). De mogelijkheid

van interpolatie wordt door Pischel niet aangeroerd.

Blz. 16. R. 16. Letterlijk: dat door de armoede van den edelen

Cârudatta vreemde lieden zijn huis worden binnengevoerd (St. 17:18–19).

Blz. 17. R. 2. Tot herstel van het metrum leze men: ṇa duggado tti (St.

18:12).

Blz. 17, R. 4. Bij B.: „Auch der Reiche wird arm, wenn ihm guter Wandel

abgeht” (St. 18:13).

Blz. 18. R. 16. Indautte (St. 19:19) door B. in aansluiting aan de

Skr.-vertaling bij St. met indradatta weergeg., kan toch wel niets

anders zijn dan Skr. indraputra (zoo ook in Calc. II en III). Indautte

en dhammaputte worden door B. gescheiden van lâvaṇe en jaḍâû. Verbindt

men echter deze namen met de genoemde patronymica, dan zegt de çakâra

weer een paar domheden, zooals telkens, waar hij van zijn bekendheid

met het epos wil doen blijken.

Na aççatthâme is vâ in te voegen tot herstel van het metrum.

Blz. 18. R. 24. Çîlavelâsamudraḥ (St. 19:24) bij B.: „ein hochgehendes

Meer von edler Gemüthsart.” Zoo geeft ook het P.W. voor velâsamudra

„ein hochgehendes Meer zur Zeit der Fluth.”

Blz. 19. R. 12. Om de woordspeling bhâve abhâvaṃ (St. 20:16) weer te

geven, heb ik eenigszins vrij vertaald.

Blz. 20. R. 5. Ṇavaṇâḍaadaṃçaṇuṭṭhidâ çuttadhâli (St. 21:9) door B.

vert.: „eine beim Anblick eines neuen Schauspiels hoch aufspringende

Vorsteherin einer Schauspielertruppe”. Daar de sûtradhârî niet tot de

toeschouwers, maar tot de vertooners behoort, meen ik daṃçaṇa hier niet

als „het zien” maar als „het laten zien, het vertoonen” te moeten

vertalen (vgl. dantadarçana). Dit is ook de opvatting van W., R. en Fr.

Zij brengen echter evenals B. ṇava bij ṇâḍaa, terwijl ik geloof, dat

het in samenstelling met een part. praet. pass. eerder als „zoo pas,

zoo juist” is te vertalen (Vgl. ṇavabandhaṇamukkâe St. 29:19;

navotthitaṃ St. 108:7).

Blz. 21. R. 10. Samâghrâya (St. 22:21) vert. B.: „riecht an ihm.”

Blz. 21. R. 12. Prâvṛṇoti (St. 22:23) vert. B.: „hüllt den Rohasena

ein.” Uit -avasaktena (St. 23:9) en vooral uit de daarop volgende

vergelijking (St. 23:12) blijkt, dat Vasantasenâ zich zelf den mantel

omhangt. Ook 42:5 wordt prâvṛṇoti reflexief gebruikt.

Blz. 21. R. 16. Mandabhâiṇî khu ahaṃ tuha abbhantarassa (St. 22:25) bij

B.: „Für dein Inneres bin ich gewiss eine arme Seele.” Ik meen, dat met

het oog op den genitief, die volgt, mandabhâiṇî (Skr. mandabhâginî)

niet in beteekenis is gelijk te stellen met mandabhâgyâ; bhâgin bet.

immers: „aandeel hebbend,” en ook „wien een aandeel toekomt” met het

„waaraan” in den gen. of in samenstelling voorafgaande (zie P.W. s.v.

bhâgin) mandabhâgin dus: „wien weinig aandeel toekomt aan, die weinig

recht heeft op (gen.)”.

Blz. 22. R. 25. Devatopasthânayogyâ (St. 24:5–6) „eine Gottheit, die

angebetet zu werden verdient” (B.). Mijn vertaling komt overeen met die

van R. en Fr.

Blz. 22. R. 29. Mijne vertaling van dit couplet (St. 24:7–11) stemt in

hoofdzaak overeen met die van B., met dit onderscheid echter dat B.

bhâgyakṛtâṃ daçâm opvat als doelende op den lotstoestand van

Vasantasenâ. Ik geloof eerder dat Cârudatta zijn eigen armoede op het

oog heeft, die hij als de reden beschouwt, waarom Vasantasenâ geen

gevolg geeft aan zijn uitnoodiging om binnen te treden. Dat inderdaad

het praviça gṛhamiti pratodyamânâ slaat op een verzoek van Cârudatta en

niet van den çakâra zooals W., R. en Fr. meenen, blijkt m.i. voldoende

uit 22:24.

Blz. 23. R. 36. Ubahâro (St. 25:15) „Opferthier” (B.). Ik geloof

eerder, dat de bali bedoeld is; deze wordt immers juist op den

viersprong aan de mâtaras aangeboden (8:12–13).

Blz. 24. R. 7. De woordspeling die ṇissiṇehâo (St. 25:21) bevat, dat

„zonder olie” en „zonder liefde” beteekent, heb ik bij eenigszins vrije

vertaling in het woord „ontvlammen” gelegd.

Blz. 25. R. 11. Met B. lees ik mantemi voor mantesi (St. 27:7).

Blz. 26. R. 8. B. leest voor aṇavagahido (St. 28:1) aṇavagâhido (Skr.

anavagâhitaḥ) en vert.: „dieser unergründliche, hehre Gott.” Ik behoud

liever de lezing van St.; aṇavagahido (Skr. anavagṛhîta) van avagṛhṇâti

in de bet.: „hemmen, zurückhalten” (P.W.) schijnt mij juist voor Kâma

een byzonder geschikt epitheton; vgl. nog avagraha „Hemmniss,

Hinderniss.” Onjuist dunkt mij Windisch’ opvatting, die het met

mahûsavo verbindt (Gr. Einfl. p. 91–92).

Blz. 27. R. 22. Paccuaâradubbaladâe (St. 29:10) door B. gevoegd bij

ahisârianto: „um ihm einen schwachen Gegendienst zu erweisen.”

Blz. 27. R. 28. Bhaṭṭâ (St. 29:15) schijnt door B. ten onrechte te

worden opgevat als beantwoordend aan Skr. bhadra („Hé, mein Bester”).

Volgens den Comm. bij R. zouden deze woorden van Mâthura tot den speler

gericht zijn; daar echter Mâthura met den speler den sambâhaka

achtervolgt, geloof ik eerder dat Mâthura zich wendt tot de omstanders

en dus bhaṭṭâ als pluralis is op te vatten. Het woord bhaṭṭa (Skr.

bhartar) beteekent „heer”.

Blz. 27. R. 30. Apaṭîkshepeṇa (St. 29:17) vertaal ik met B. (ook P.W.)

„zonder het gordijn weg te schuiven”. Vgl. echter Windisch, Gr. Einfl.

p. 24–25, die een subst. apaṭi wil aannemen en in kshepa het

buitengewone van de aangeduide wijze van optreden zoekt.

Blz. 29. R. 21. Çilu paḍadi (St. 31:10) vert. Fr.: „Mir schwindelt der

Kopf.”; met het oog op 78:10 schijnt mij toch B.’s opvatting

waarschijnlijker.

Blz. 29. R. 28. Ganthu (St. 31:16, 20; 32:5; 39:16), weergeg. met Skr.

gaṇḍa, beantw. aan Skr. grantha (= brief, schuldbrief).

Blz. 30. R. 8. In navolging van B. lees ik voor daçasuvaṇṇaṃ (St. 32:3)

pañcasuvaṇṇaṃ; immers Mâthura heeft den sambâhaka de helft zijner

schuld kwijtgescholden.

Blz. 30. R. 12. De conclusie van den sambâhaka (St. 32:4–7) is niet

volkomen duidelijk; de bedoeling zal toch wel deze zijn: De één heeft

mij de helft kwijtgescholden, de ander heeft mij de helft

kwijtgescholden. Twee helften is één geheel; dus is mij alles

kwijtgescholden.—Vooral de genitivi ekkâha en abalâha zijn bevreemdend.

Blz. 30. R. 14. Ṇa ahaṃ dhuttijjâmi (St. 32:7–8) bij B.: „auf diese

Gaunerstreiche verstehe ich mich nicht.” Dhuttijjâmi is echter passief

(Skr. dhûrtye); dus zal aan *dhûrtayati de bet. „bedriegen” moeten

worden toegekend.

Blz. 31. R. 12. Dit vers (St. 33:6–8), door B. opgevat als slaande op

„men” in ’t algemeen, meen ik met het oog op het volgende wel op

Darduraka te mogen toepassen.

Blz. 31. R. 25. Kimayaṃ tapasvî karishyati (St. 33:18) luidt bij B.:

„Was kann mir der erbärmliche Schwächling anhaben.” Ik betwijfel of

tapasvî aldus mag vertaald worden; het P.W. geeft: „der Leiden zu

tragen hat, geplagt, vom Schicksal heimgesucht, arm”; het woord wordt

dus ter uitdrukking van medelijden, niet van verachting gebezigd (vgl.

St. 9:25; 34:1; 52:6; 114:11; 152:6).

Bovendien duidt het volgende yo ’haṃ er op, dat Darduraka met tapasvî

niemand anders dan zich zelf bedoelt.

Blz. 32. R. 35. Ahaṃ pi ṇâma mâthuru dhuttu jûaṃ micchâ âdaṃsaâmi (St.

34:25) is niet recht duidelijk. B. vert.: „Auch ich heisse ja der

Schelm Mâthura und lehre falsch spielen.”

Blz. 33. R. 2. Gosâviâputta (St. 35:5), weergeg. met Skr. veçyâputra,

is niet anders dan Skr. goçâvikâputra, dus: „zoon van het vrouwelijk

jong eener koe.”

Overigens volg ik hier de lezing van Calc. II en III: ṇaṃ evvaṃ jjeva

jûdaṃ tue sevidaṃ; evvaṃ jjeva wil dan zeggen: zooals deze man, zonder

te betalen. B. vertaalt deze plaats: „Du Bastard! Wenn ich spiele,

verpflichte ich mich zu Nichts. Dard: Ich aber thue es, wenn ich

spiele.”

Blz. 33. R. 35. Voor apalâvuda- (St. 35:25) te lezen: apâvuda- (Skr.

apâvṛta); Calc. II heeft: aṇapâvuda-; dat deze lezing verkeerd is,

blijkt uit St. 36:3.

Blz. 34. R. 12. Kadhaṃ dhaṇikâdo tulidaṃ çe bhaakâlaṇaṃ (St. 36:10)

geeft moeilijkheid. B. vermoedt: abhaakalaṇaṃ en vertaalt: „Wie! Einem

Gläubiger gegenüber vermag sie eine angemessene Sicherheit zu

gewähren.” Ik geloof eerder, dat voor dhaṇikâdo dhaṇâdo is te lezen,

dat licht tot dhaṇikâdo kan zijn geworden door invloed van hetzelfde

woord in R. 8. De zin zou dan zijn: Hoe, de oorzaak van mijn vrees

wordt door haar afgewogen naar haar rijkdom, d.w.z. zij, die rijk is,

behoeft niet bevreesd te zijn voor een schuldeischer. Bij deze

opvatting zijn tulidaṃ in R. 10 en tulidaṃ in R. 12, in dezelfde

beteekenis genomen, en bevat het vers een verklaring van het

voorafgaande.

Blz. 36. R. 31. Iti nishkrântâ (St. 38:25), door B. vertaald: „Tritt

ab”, moet betrekking hebben op het gaan uit Vasantasenâ’s huis, niet op

het verlaten van het tooneel.

Blz. 37. R. 8. Jai îdisâiṃ ṇa mantesi tâ ṇa hosi jûdiaro (St. 39:11)

luidt bij B.: „Wenn du nicht solche Dinge redetest, wärest du kein

Spieler.” (evenzoo R. en Fr.). Ik volg de lezing van Calc. I en III:

ṇaṃ in plaats van ṇa en stel mij de zaak voor als volgt: Madanikâ ziet

twee menschen, die zij vermoedt dat de sabhika en de dyûtakara zijn,

waarvan de sambâhaka heeft gesproken. Zij wendt zich tot hen met de

vraag: „Wie van U beiden is de sabhika?” waarop deze, meenende, dat zij

met andere bedoelingen tot hem komt, zegt: „Ga heen, ik heb geen geld.”

Hierop nu zegt Mad.: „Uit uw gezegde merk ik, dat ge de speler niet

zijt, want een speler zegt nooit, dat hij geen geld heeft.” (Comm. bij

Calc. III: dyûtakaraḥ âtmanaḥ nirdhanatvaṃ kadâcidapi na prakâçayatîti

bhâvaḥ). Aldus ook W.’s vertaling.

Blz. 39. R. 10. Sarosaṃ (St. 41:16), dat door B. bij hatthiṃ wordt

getrokken (diesem wüthenden Elephanten), heb ik als adverbium opgevat,

daar het, vóór de caesuur vallend, mij toescheen, eerder bij âhaṇiûṇa

te behooren (zoo ook R.).

Blz. 42. R. 4. Samaṃ (St. 44:8), door B. als adjectief opgevat

(„gleichmässig”).

Blz. 42. R. 27. Letterlijk: Gelijk de overgebleven slagtandspits van

den in het water gedompelden woudolifant (St. 44:13).

Blz. 42. R. 34. Ettha vitthiṇṇe âçaṇe (St. 45:3) vert. B.: „Da habe ich

zwei Lager ausgebreitet”; vitthiṇṇe âçaṇe kan echter m.i. niet anders

dan als sing. zijn op te vatten (hetzij nom. of loc.), de dualis toch

is in ’t Prâkṛt verloren gegaan (Zie: Lassen, Inst. Pracr. p. 298 § 92,

1). De Skr.-vertaling: vistîrne âsane is dus als loc. sing. op te

vatten.

Blz. 43. R. 2. Eso dâṇiṃ dâsîe utto bhavia (St. 45:8) vert. B.: „dieser

da erniedrigt sich jetzt zu dem Sohne einer Sklavin.” Vardhamânaka is

echter inderdaad een dâsîeutto en als zoodanig stelt de Vidûshaka hem

tegenover zich zelf, den Brahmaan.

Blz. 43. R. 25. In plaats van dasîeutto (St. 45:24) lees ik dâsîeuttaṃ

(Calc. III heeft dasîe putta, waar vermoedelijk het teeken van den

anusvâra is weggevallen). Immers het scheldwoord past op het

goudkistje, dat de Vidûshaka verfoeit, niet op den dief, dien hij juist

te hulp roept, om hem van het kistje te verlossen. Hiervoor spreekt ook

de plaatsing tusschen edaṃ en ṇiddâcoraṃ. Dat het scheldwoord

„slavinnenzoon” niet enkel voor personen wordt gebruikt, blijkt St.

79:24; 91:18 en ook 8:2, indien althans mijn opvatting van die plaats

de juiste is. Het ongewone echter van een dergelijk gebruik kan

aanleiding zijn geworden, dat dâsîeuttaṃ in dâsîeutto werd veranderd.

Blz. 43. R. 31. B. vert.: „Du darfst ihn nicht in ’s Innere des Hauses

bringen, da ein öffentliches Mädchen ihn getragen hat” (St. 46:2). Ik

geloof niet, dat tasmât van yasmât te scheiden is; ook komt het mij

zeer onwaarschijnlijk voor, dat Cârudatta er bezwaar tegen zou hebben

de sieraden in zijn huis te bewaren, omdat zij van een prakâçanârî

afkomstig zijn, terwijl hij later niet het minste bezwaar heeft, haar

zelf in zijn huis (zie St. 92:11; 93:16–20) toe te laten. Daarom heb ik

alaṃ van het volgende gescheiden.

Blz. 44. R. 7. Met Calc. III na jareva (St. 46:8) yâ in te voegen.

Blz. 44. R. 19. Letterlijk: Wiens optreden bevreesd is voor des vorsten

mannen (St. 46:17). B. heeft: „dessen Erscheinen die Diener des Königs

vermuthen.” Ik geloof niet, dat çankita hier iets anders dan „bevreesd”

kan beteekenen; mocht het in passieven zin worden opgevat, dan zoude ik

het liever met „gevreesd” vertalen, wat inderdaad in den toon van

Çarvilaka byzonder goed zou passen. Het vers zou dan luiden:

Den held, van zins, een anders huis te schaden

wiens nadering des konings mannen duchten.

Blz. 44. R. 26. Met B. lees ik voor vardhate (St. 46:21) vartate.

Blz. 45. R. 1. Mûshikotkara (St. 47:6), ook door B. in zijn vertaling

weergeg. door „Mauseloch,” in het P.W. echter door „Maulwurfshaufen.”

Inderdaad schijnt het tweede deel der samenstelling (bij utkirati =

opwerpen) eerder voor de laatste beteekenis te pleiten, vooral daar ook

âkhûtkara in die bet. voorkomt. Op grond, dat âkhu zoowel voor „mol”

als „muis” wordt gebezigd, zou men dan hetzelfde van mûshika moeten

aannemen. Daar dit laatste mij echter bedenkelijk schijnt (het P.W.

geeft voor mûshika alleen Ratte, Maus) en utkirati ook in de bet.:

„ausgraben, aushöhlen” voorkomt, verkoos ik in dezen de eerstgenoemde

vertaling, daarbij in aanmerking nemende, dat juist een muizengat voor

een dief als een gelukkig voorteeken mag gelden, omdat 1o. daaruit

blijkt, dat de muur niet zeer stevig is, 2o. de muis, als de dief onder

de dieren (men denke aan het ww. mushṇâti) hem sympathiek is.

Blz. 45. R. 7. De woorden „welken vorm zal ik kiezen” heb ik tot goed

begrip van het volgende vers ingevoegd.

Blz. 46. R. 8. B. vat bhûmau patac (St. 48:18) op als slaande op de

deur; kapâṭa is echter gewoonlijk masc.; ook spreekt Çarv. zijn vrees

uit, terwijl hij bezig is, het water uit te gieten en ten slotte is het

toch niet denkbaar, dat de deur wordt geopend, door haar op den grond

te laten vallen.

Blz. 46. R. 9. Pṛskṭḥena pratîkshya kapâṭam udghâṭya (St. 48:19) vert.

B. „mit dem Rücken die Thür ganz allmählich öffnend.” De beteekenis

„ganz allmählich,” die B. aan pratîkshya toekent, steunt echter alleen

op deze plaats (zie P.W. i. v.); bovendien is een deur met den rug

openen wel eenigszins zonderling, ook al wil men met B. aannemen, dat

de deur op den grond wordt neergelaten. Daarentegen is door pṛskṭḥena

pratîkshya eenvoudig te vertalen met „achter zich ziende” de plaats

volkomen duidelijk; immers vóór hij de deur opent ziet Çarvilaka om

naar de beide slapenden, om, wanneer zij teekenen van ontwaken geven,

oogenblikkelijk de vlucht te nemen.

Blz. 46. R. 24. Bhavanapratyayât (St. 49:3) vert. B.: „in der

Gewissheit, dass es das rechte sei.”

Blz. 47. R. 3. Voor bhadrapîṭḥena (St. 49:20), dat door Calc. II en III

wordt verklaard als de naam van een insect, als zoodanig ook in het

P.W. wordt opgegeven, maar in die bet. elders niet voorkomt, lees ik

bhadrakîṭena (zoo ook Huizinga, blz. 28: „De goede vlieg heeft

duisternis gebracht”).

Blz. 47. R. 8. Praṇayam (St. 49:23) vert. B. „Vertrauen” (evenzoo

50:3); het woord kan echter zoowel „genegenheid” (vertrouwen,

vertrouwelijkheid) als „geneigdheid” (verlangen, begeerte) beteekenen

en is hier m.i. in de laatste bet. op te vatten (zie P.W. i. v.).

Blz. 47. R. 26. Athavâ âtmâ pâtitaḥ (St. 50:7–8) vert. B.: „Doch nein,

mich selbst habe ich hineingestürzt.” Dat pâtitaḥ niet met mayâ, maar

met dâridryena moet worden aangevuld, blijkt, dunkt mij, uit het

onmiddelijk volgende vers, dat een verklaring bevat van het

voorafgaande (khalu!). Çarvilaka is onder zijn diefstal bezig, zich

afwisselend te beschuldigen en te verontschuldigen; eerst zegt hij: „Ik

heb mijn geslacht ten val gebracht” en dan „maar neen, ik ben zelf ten

val gebracht door de Armoede, die een geheimzinnige kracht over mij

bezit” (B. vert.: anirveditapaurusham: „die keinen Mannesmuth

verräth.”).

Blz. 47. R. 36. Grahâluñcane vert. B.: „wenn es eine Beute zu rupfen

gilt.” Daar het P.W. voor graha niet de bet. „Beute”, maar wel „das

Ergreifen, Packen” geeft, heb ik gemeend, de samenstelling als dvandva

te moeten opvatten.

Blz. 48. R. 19. Ter wille van het komisch effekt veroorloofde ik mij

een kleine wijziging; letterlijk zegt Radanikâ: „Een dief, in ons huis

een opening gebroken hebbend, is weggeloopen”, waarop de Vidûshaka: „O

slavinnendochter, wat zegt ge, een dief is gebroken, de opening

weggeloopen?”

Blz. 48. R. 23. Dudiaṃ pi duâraaṃ ugghâḍidaṃ (St. 51:10) vert. B.:

„Auch die zweite Thür sei geöffnet worden?” maar wat is met „die zweite

Thür” bedoeld? Een betere lezing geven Calc. I en III, nl. via voor pi,

welke door mij is gevolgd (ook door R. en Fr.).

Blz. 48. R. 36. De beteekenis van uparitalanipâtiteshṭako (St. 51:18)

is niet duidelijk; het P.W. geeft voor uparitala „superficies” met

verwijzing naar deze plaats; de hier bedoelde superficies kan dan wel

niet anders dan het aardoppervlak zijn; B. heeft echter in zijn

vertaling: „Die Ziegel sind herausgezogen und auf einander gelegt

worden” op grond van den Comm. bij Calc. II.

Blz. 49. R. 5. Bij B. luiden deze twee regels (St. 52:2–4): „Wenn es

ein Fremdling war, der mit Anwendung von vieler Mühe diese Oeffnung in

mein Haus schlug, dann wusste er nicht, dass hier ein armer Mann im

Gefühl der Sicherheit ruhig schläft.” Mijn vertaling komt in hoofdzaak

overeen met W. en wat het laatste gedeelte betreft ook met R. en Fr.

Blz. 52. R. 23. Parivâdavahaladoshân (St. 55:23) bij B.: „da ihr

grösster Fehler der ist, dass sie Andern Böses nachsagen.”

Voor vahala moet in elk geval bahula worden gelezen.

Blz. 54. R. 35. Met B. lees ik: tvaritagatiṃ (St. 58:22) als

tegenstelling tot sthitaṃ in den volgenden regel. Reeds W.’s vertaling

berust op deze lezing: „him, who appears to track my rapid steps.”

Blz. 56. R. 32. Deze plaats (St. 60:24–25) vert. B.: „Çarvilaka! Dein

Wandel ist unbefleckt. Mithin kannst du nicht im vollkommenen

Widerspruch damit meinetwegen eine unbesonnene That verübt haben”;

waarbij echter karenteṇa onvertaald blijft (vgl. St. 61:24); bovendien

wordt niet door Mad. betwijfeld, dat Çarv. een sâhasa heeft bedreven,

maar zij vermoedt, dat, daar Çarv. akhaṇḍidacâritto is, hij niet iets

volkomen ongeoorloofds zal hebben verricht. Alleen bij deze opvatting

is het antwoord van Çarv. begrijpelijk. Ook Fritze vertaalt in

denzelfden zin.

Blz. 57. R. 7. Letterlijk: Een sieraad, dat niet mag vertoond worden en

menschen, zooals wij, die twee passen niet (St. 61:9–10).

Blz. 57. R. 26. Met B. nîyamânâbhujishyâtvam (St. 61:22) te lezen.

Blz. 58. R. 11. Dit vers (St. 62:13–15) volgens R. ook Dampatîç. 45.

Blz. 58. R. 15. Dit vers (St. 62:15–17) volgens R. te vergelijken met

Bhartṛhari I, 90.

Blz. 58. R. 22. Dit vers (St. 62:19–21) volgens R. ook Dampatîç. 45.

Blz. 58. R. 30. Dit vers (St. 62:24–63:3) met geringe wijziging ook

Pañc. I, 192 (ed. Kielhorn5 I, p. 34), in de vertaling van H. G. van

der Waals, I, blz. 54. Çmaçânasumanâ iva (St. 63:2) vert. B.: „wie den

Jasmin, der auf einer Leichenstätte wächst”; sumanâ zal echter om ’t

meervoud veçyâḥ wel als plur. van sumanâ en niet als sing. van sumanas

zijn op te vatten. Daar sumanâ volgens de Lexicografen Iasminum

grandiflorum, Rosa glandulifera of Chrysanthemum indicum kan aanduiden,

vond ik het veiligst, net woord met „bloem” te vertalen.

Blz. 58. R. 35. Dit vers (St. 63:4–6) met geringe wijziging ook Pañc.

I, 194 (ed. Kielhorn5 I, p. 34), bij Van der Waals I, blz. 54; volgens

R. ook te vergelijken met Bhartṛhari Çṛn̄gâra passim.

Blz. 58. R. 40. Dit vers (St. 63:7–9) volgens R. te vergelijken met

Bhartṛhari I, 81. ’t Laatste deel is door mij vrij vertaald.

Blz. 59. R. 9. Asaṃbhâvanîyam, eigenlijk: wat niet te veronderstellen

is (saṃbhâvayati voraussetzen, Jmd. Etwas zutrauen; zoo o.a. St. 15:15)

B. vert.: „reine Phantasiegebilde.”

Blz. 62. R. 26: Siddhâdeçapratyayaparitrastena râjñâ pâlakena (St.

66:24–25) vert. B.: „Im festen Glauben an die Richtigkeit der Aussage

eines Wahrsagers, dass u. s. w. hat König Pâlaka in seiner Angst u. s.

w.” Dat echter koning Pâlaka zijn maatregelen tegen de troonsverheffing

van ′Aryaka neemt, bewijst, dunkt mij, dat hij niet aan de juistheid

der voorspelling gelooft, dat hij niet met ′Aryaka zegt: „daivî ca

siddhirapi langhayituṃ na çakyâ” (St. 98:13); hieruit blijkt juist

Pâlaka’s goddeloosheid. Wel kan hij bevreesd zijn, dat men geloof zal

slaan aan de voorspelling, wat aanleiding zou kunnen geven tot een

opstand, dien hij door gevangenneming van ′Aryaka wil voorkomen.

Evenzoo is de opvatting van R.: „Le roi Pâlaka, ému de la foi qu’on

accorde à une prophétie etc.”

Blz. 62. R. 39. Guruaṇâṇaṃ (St. 67:8), door B. vertaald „Eltern”, heeft

hier blijkens bet onmiddelijk volgende een ruimere beteekenis.

Blz. 64. R. 12. Pâsâdabantîo (St. 69:1) kan bezwaarlijk met W. en de

Duitsche vertalers als „een rij paleizen” worden opgevat. Wat pâsâda

hier wel is, is moeilijk uit te maken („ein erhöhter Platz zum Sitzen

oder Zuschauen.” P.W.). R. heeft „serie de bâtiments.”

Ook de beteekenis van viṇihidacuṇṇamuṭṭḥipaṇḍurâo (St. 68:25) is niet

helder; volgens W. en R. zou met cuṇṇa „pleisterkalk” bedoeld zijn;

volgens Fr.: „Pulver, das man verstreute Wohlgeruch zu schaffen”, ook

B. heeft: „Handvoll wohlriechenden Pulvers.”

Blz. 64. R. 22. Pajjantobaṇîdajavasabusakavalasupuṭṭḥâ (St. 69:7) „die

ihnen hingeworfenen Bissen Javasa-Spreu haben sie hübsch fett gemacht”

(B.).

Blz. 64. R. 23. Aṇṇadaro (St. 69:8) wijst er m.i. op, dat met seriho

één van de twee te voren genoemde pavahaṇabaillâ wordt bedoeld. B.

vert.: „Dort seufzt ein Büffel.”

Blz. 64. R. 35. In sâhîṇamaṇimaasâriâsahido (St. 69:17) zal sâriâ wel

„speelfiguur” beteekenen, gelijk de opvatting is van W. en B. (Het P.W.

geeft s.v. çâri „ein beim Würfelspiel gebrauchter Stein,—Figur” en voor

çârikâ „Würfelspiel mit Steinen”). Of Dr. Huizinga het met

„schaakstukken” mag vertalen, zou ik betwijfelen (Vidûshaka, blz. 137).

R. en Fr. zien er „dobbelsteenen” in.

Blz. 65. R. 16. Uâsâbedi (St. 70:9) wordt door B. vert.: „erregt meinen

Appetit.” Ik heb gemeend, het als causatief te moeten beschouwen van

Skr. upâste in de bet. „ehrend nahen.”

Calc. II en III hebben ususâbedi (Skr. utsukâyate).

Blz. 65. R. 18. Vajjhanti (St. 70:11) weergeg. door Skr. vadhyante (B.

heeft: „Confect wird in Formen gebracht”, leest dus blijkbaar

badhyante) is door mij opgevat als beantwoordend aan Skr. vardhyante.

Blz. 65. R. 20. Vaḍḍḥiaṃ (St. 70:12) door R. met „des mets”, door B.

met „Schüssel”, door Fr. met „Napf” vertaald, heb ik gemeend, in

verband te moeten brengen met het voorafgaande vajjhanti (zie mijn

vorige Aant.) en dus eenvoudig als part. praet. pass. van vardhate

opgevat; de bet. „Schüssel”, die ook het P.W. geeft, vindt alleen steun

in Kullûka’s Comm. bij Manu 3, 224.

Blz. 65. R. 22. Terecht lezen alle vertalers voor gandhavvasuragaṇehiṃ

(St. 70:13) gandhavvassaragaṇehiṃ.

Blz. 65. R. 28. Ik volg hier B.’s conjectuur, die voor guṇeshvavâcyâ

(St. 70:19) ṛṇeshvavâcyâ leest.

Blz. 66. R. 3. Mijn vertaling van deze plaats (St. 71:8–10) komt

overeen met die, welke B. onder „Anmerkungen” geeft, waarbij te als

ace. = tân (sc. karakân) moet worden opgevat. Zoo vertalen ook W., R.

en Fr.

Blz. 66. R. 12. Maaṇasâriâ (St. 71:16) is niet met B. en het P.W. als

Predigerkrähe te vertalen (zie: Bühler, Zschr. Dschen Morgenl. Ges.

XXXXVI, p. 69). Dat çârikâ en niet sârikâ de juiste schrijfwijze is,

werd op grond van Slavische verwanten, door Dr. C. C. Uhlenbeck

aangetoond (Archiv. f. Slavische Philologie XVII, p. 629).

Blz. 66. R. 22. Van pasâraṇaaṃ kidaṃ gaṇiâe ṇâṇâpakkhisamûhehiṃ (St.

71:23–24) geeft B. een tweede vertaling onder „Anmerkungen”, luidende:

„Eine Hetäre hat Vögel aller Art zu Schau aufgestellt”; zoo vertaalt

ook Fr. (met dit verschil, dat volgens hem met gaṇiâe Vasantasenâ is

bedoeld); echter zou bij deze opvatting ṇâṇâpakkhisaṃûhâṇaṃ te

verwachten zijn. Hetzelfde geldt van R.’s vertaling: „La courtisane

[qui habite ici] a rassemblé des oiseaux de toute espèce.”

De eerste vertaling, die B. geeft, schijnt mij daarom verkieslijk,

alhoewel dan aan prasâraṇa een ongewone beteekenis moet worden

toegekend, die zich echter uit prasârayati als caus. v. prasarati zeer

goed laat afleiden. Of is misschien pasâdaṇaaṃ te lezen?

Blz. 66. R. 29. An̄gabhan̄gehiṃ parikkhalanto ido tado paribbhamadi (St.

72:3–4) bij B.: „reckt und streckt die Glieder und schreitet taumelnd

einher.”

Blz. 66. R. 37. Phulla (St. 72:9) door B. vert. met „bauschig”, door

mij, in aansluiting aan den Comm. bij R. met „gebloemd” (evenzoo Fr.).

Blz. 67. R. 15. Ter wille van het rijm eenigszins vrij vertaald.

Blz. 67. R. 24. W., Fr. en Kellner laten deze passage (St. 72:23–73:2)

onvertaald. Het al te realistische tthaṇaṇiambajahaṇâ heb ik eenigszins

gewijzigd weergegeven.

Voor macchâharaṇâ lees ik met B.: maṇaharaṇâ (de lezing van HS. B. en

D. en van Calc. I en III).

Blz. 67. R. 33. B. leest hier met Calc. II voor:

accharîakusumapatthârâro­bidâṇeapâdabâ (St. 73:8) accharîakusumâ jattha

robidâ aṇeapâdabâ, en vertaalt: „in dem eine ganze Menge von Bäumen mit

den wunderbarsten Blüthen gepflanzt ist!”

Blz. 67. R. 35. Ṇirantarapâdabatalaṇimmidâ juadijaṇajahaṇapamâṇâ

paṭṭadolâ (St. 73:8–9) zijn door mij tot één samenstelling verbonden

als bepaling van rukkkavâḍiâe sassirîadâ. Hierdoor wordt het mogelijk

St. 73:7–12 als één zin op te vatten, gelijk ik in mijn vertaling

gedaan heb.

Blz. 67. R. 39. Saṃjhâadi (St. 73:13), door alle vertalers beschouwd

als denominatief van saṃdhyâ („scheint gleichsam die Morgenröthe

vorzustellen”, bij B.), is door mij als samenstelling van Skr. dyâyati

(= nadenken) opgevat met het oog op het elders voorkomende ṇijjhâadi

(St. 59:24; 69:2; 89:4) in dezelfde beteekenis. Misschien is het wel

als een woordspeling op te vatten, die beide beteekenissen vereenigt.

Blz. 69. R. 11. Imâdo gaṇiâpasan̄gâdo (St. 74:25) vert. B.: „von dieser

Neigung zu Vasantasenâ.” Ik geloof, dat het juist in het karakter van

den Vidûshaka ligt, Cârudatta’s liefde als niet meer dan „een neiging

tot hetaeren” te beschouwen (evenzoo St. 77:15).

Blz. 70. R. 5. Deze versregel (St. 76:4) luidt bij B.: „(man sehe nur)

wie die zum Wegzuge bereiten Flamingos eine Unruhe verrathen und

schliesslich von ihrem Vorhaben abstehen.” Ik heb gemeend, het geheele

couplet met het voorafgaande yadetat als één zin te moeten beschouwen,

waarbij dus apâkṛtam, evenals het voorafgaande âlokitaṃ, ter bepaling

dient van âkâlikaṃ durdinam. De beteekenis, door mij op deze plaats van

apâkaroti toegekend, is zeer nauw verwant aan die, welke het P.W.

geeft: „von sich abwerfen,—stossen—weisen enz.” Ook is de versregel,

aldus vertaald, overeenkomstig met de werkelijkheid, daar, gelijk reeds

Wilson in een Noot mededeelt, de zwanen (of ganzen) bij het begin van

den regentijd naar het meer Mânasa trekken. Men vergelijke nog St. 77:4

en 84:23.

Blz. 70. R. 11. Kuṭilabalâkâvalîracitaçan̄khaḥ (St. 76:12) letterlijk:

met een schelp, gevormd door de gebogen kraanvogelrijen.

Blz. 70. R. 25. Patracchedyam (St. 76:21) vert. W.: „a picture”;

evenzoo R.: „un tableau varié”, in aansluiting aan den Comm. van Lallâ

Dîkshita. B. vertaalt: patracchedyamiveha bhâti gagaṇaṃ: „es hat den

Anschein, als ob ihm (dem Himmel) gleichsam die Federn ausgerupft

würden,” en geeft ook in het P.W. s.v. pattracchedya: „dem die Federn

ausgerupft sind.” Fr. eindelijk heeft: „als wär’ er ein Gesicht das

manchen Moschusstreifen trägt zur Zier.”

Boven deze zoo uiteenloopende opvattingen schijnt mij de volgende

verkieselijk: pattra op te vatten als „lemmer” (P.W. i.v. pattra:

„Blatt, so v.a. ein schmaler dünner Streifen von Metall”) en chedya als

gerundivum van chinadmi in de gewone beteekenis: „snijden”; dus

pattracchedya „met een lemmer te snijden, dicht van duisternis” (vgl.

ook de uitdrukking: tamasi sûcîbhedye, voorkomende Hit. ed.

Schlegel-Lassen 98:22). Ik gaf het in mijn vertaling weer door

„duister”.

Blz. 71. R. 8. Evenals B. lees ik met Calc. II (en III) adakkhiṇadâ

(St. 77:8) in één woord.

Blz. 71. R. 11. B. volgt hier de lezing: ṇa tâe ahaṃ bhaṇido; ik

behield die van St. (77:10).

Blz. 71. R. 14. Akandasamutthidâ (St. 77:13) vert. B.: „die nicht aus

einer Wurzel hervorgeschossen wäre”. Het P.W. geeft echter juister s.v.

kanda: „Wurzelknolle, Zwiebel.” R. vert. dan ook terecht: „un lotus qui

ne sorte pas d’une bulbe.”

Blz. 71. R. 36. Ik verkies hier (St. 78:2) met B. de v.l.: kadhaṃ ṇa

viṇaṭṭham (zoo ook Calc. III).

Blz. 74. R. 2. Indamahakâmuko (St. 80:15) vert. B.: „wie ein auf das

Indrafest versessener”, hetgeen zou doen vermoeden, dat een persoon

bedoeld is; volgens W., R. en Fr. zou het woord den hond aanduiden.

Waarschijnlijker is mij de Comm. bij Calc. III, die het verklaart als =

kâka (men denke aan de uitdrukkingen balibhuj, balibhojana, balipushṭa,

kâkakṛt en het woord kâka zelf, dat toch wel niet anders dan als

onomatop. zal zijn op te vatten). Ook Dr. Huizinga vertaalt het aldus

op blz. 113 zijner dissertatie. Niet onwaarschijnlijk komt het mij

voor, dat vóór kâkâaçi het woord kâko is weggevallen.

Blz. 75. R. 6. In den tekst staat: padâiṃ palivattâbehi (St. 81:17)

d.w.z. keer de voeten (of: de leden der samenstelling) om.

Blz. 76. R. 15. Varavṛksha (St. 82:21) is door mij opgevat als synoniem

van kalpavṛksha; B. vert.: „die Blüthe des besten der Bäume, des Kâma”.

Verder verbindt B. ratisamayalajjâ praṇayinî tot één woord en vert.:

„(sie) sehnt sich nach dem Gefühl der Scham in der Minnestunde.” Ik

behield hier de lezing van St.

Blz. 76. R. 18. R. teekent hierbij (St. 83:1.) aan: „La ressemblance

porte sur la fumée, entourant le coeur, consumé par le chagrin de la

séparation, de l’amante éloignée de celui qu’elle chérit”, welke

verklaring mij niet zeer aannemelijk voorkomt. Eerder geloof ik, dat

het punt van overeenkomst moet gezocht worden in het ww. garjati, dat

ongeveer de verschillende beteekenissen van Hd. „grollen” in zich

vereenigt (der Donner grollt, ein grollendes Herz; ook wordt „grollen”

evenals garjati voor het geluid van sommige vogels gebruikt).

Blz. 76. R. 39. Strîsvabhâvadurvidagdhayâ (St. 83:15) vert. B.: „da sie

in Folge ihrer Weibernatur gar einfältig ist”; evenzoo Fr. R. heeft:

„Elle est femme et par conséquent obstinée.” Met het oog op het

volgende vers, meen ik dat het eerste lid der samenstelling

strîsvabhâva eerder in locatief- dan in instrumentaal-verhouding tot

het tweede lid durvidagdhayâ is op te vatten. Immers daar de Nacht den

aard der vrouwen niet kent, tracht zij Vasantasenâ terug te houden;

kende zij dien, dan zou zij weten, dat „vrouwen zich niet laten

terughouden” enz.

Blz. 77. R. 5. Letterlijk vertaald, luidt deze versregel (St. 83:22):

„De wolk ontrooft een menigte stralen (of: schatting) in de lucht aan

de maan.”

Blz. 77. R. 12. B. volgt hier (St. 84:1) de v.l. sataḍitbalâka- en

vert.: „von Blitzen und Kranichen bunt schimmernden (Wolken).”

Blz. 77. R. 26. Apîta- (St. 84:8) is door B. en Fr. opgevat als adj.

(gelblich). Een beteren zin geeft het m.i. het te beschouwen als part.

praet. pass. van âpibati (= hineintrinken, einschlürfen, absorbiren,

verschwinden machen). Dit doen ook W. en R.

Blz. 77. R. 38. B. leest voor vidyudguṇa- (St. 84:13) vidyudgaṇa-,

terwijl ik St.’s lezing behield (vgl. St. 76:13). Voor sarâgâ (St.

84:14) verkies ik met B. de v. l. sadhârâ.

Blz. 78. R. 24. Pracchâditâçâmukham (St. 85:2) vert. B.: „ihr Horizont

ist verhüllt”; payodhârâgṛhântargataṃ (St. 85:3): „Sie hat sich in ihr

Badegemach begeben.”

Blz. 78. R. 30. Na râjanti kakubhaḥ (St. 85:7) vert. B.: „Die

Weltgegenden sind alles Schmuckes ledig.” W. vert. kakubhaḥ: „the

heavens”, R. „les régions du ciel”, Fr. „die Himmelsgegenden.”

Blz. 79. R. 44. Tot herstel van het metrum leze men voor ca kântam (St.

86:16) kântaṃ ca.

Blz. 80. R. 28. Ik verkies hier (St. 87: 11) met B. de lezing van Calc.

II (en III): sukkharukkha- (Skr. çushkavṛksha-), daar anders de vraag

van Vasantasenâ onbegrijpelijk is.

Blz. 82. R. 16. Vicârayati (St. 89:3) vert. B.: „Maitreya zögert es

entgegen zu nehmen”, Fr.: „Maitreya prüft es”, R.: „Maitreya

réfléchit”.

Blz. 82. R. 31. Deze plaats (St. 89:11) luidt bij B.: „Es ist ja die

Rede von der List, die wir ersannen, um das uns anvertraute Gut

wiederzuerstatten. Im Uebrigen hält man uns fürwahr zum Narren.”

Evenzoo is de opvatting van R. en Fr. Het volgende saccaṃ van den

Vidûshaka kan echter m.i. niet anders zijn dan een bevestiging van het

satyam van Cârudatta. Zoo zou bij B.’s opvatting de Vidûshaka laten

volgen: „Waarlijk (men houdt ons voor den mal) dat zweer ik” enz. en

juist het tegengestelde wil hij betuigen. Daarom is viḍambanâ in bet.

a) P.W. „das Nachmachen, Nachahmen” te nemen en tweeledig op te vatten,

nl. als toepasselijk op het bedrog en toepasselijk op het goudkistje,

m.a.w. Cârudatta zegt: „Ons bedrog wordt hier nagevolgd; maar kan

navolging werkelijkheid zijn?” en tevens: „kan een namaak (waarvoor hij

het getoonde kistje houdt) echt zijn?” Zeer helder is de plaats zeker

niet.

Blz. 83. R. 38. Deze plaats (St. 90:15–16) vert. B.: „Es ziemt sich

nicht, mich und diese Perlenschnur mit gleichem Maasse zu messen.” Wat

de zin van deze woorden zou moeten zijn, is mij niet recht duidelijk;

tulayati moet hier m.i. worden genomen in dezelfde bet. als twee regels

verder, nl. in die van „wantrouwen” (zoo ook St. 58:24). Dan wordt ook

het antwoord van Cârudatta begrijpelijk. Vasantasenâ zegt: „Ge hebt

door het zenden van dat paarlensnoer getoond, mij te wantrouwen, dat

hadt ge niet moeten doen”, waarop Cârudatta antwoordt: „Ik had wel

reden tot vrees: daar ik arm ben, sta ik aan verdenking bloot en hecht

men geen geloof aan mijn woorden”. Deze opvatting staat dicht bij die

van Fr., behalve dat hij tulaiduṃ blijkbaar als caus. beschouwt; zijn

vertaling der plaats luidt:

„Es war nicht recht, mir Argwohn zuzutraun

Und deshalb, ehrenwerther Tscharudatta,

Mir diese Perlenschnur zu schikken.”

Blz. 84. R. 11. Pan̄kântarâṇîva mṛṇâlasûcyaḥ (St. 91:2) bij B.: „wie die

Nadeln der Lotuswurzel die Lotusblüthe(?)” pan̄kântarâṇi kan toch wel

niets anders zijn dan „’t binnenste van het slijk”, gelijk ook W., R.

en Fr. het opvatten.

Blz. 86. R. 12. Ik lees voor tumhâṇaṃ (St. 93:8) amhâṇaṃ.

Blz. 87. R. 2. Ik geloof, dat pariaṇo (St. 93:20) hier in ruimeren zin

is op te vatten dan als „Dienerschaft”, zooals B. en Fr. doen, n.l. in

dien van „gezamenlijke huisgenooten, familia” (het P.W. geeft ook:

„Umgebung”) en vooral aan Cârudatta’s vrouw moet gedacht worden, voor

wie Vasantasenâ’s bezoek in de eerste plaats verondersteld mocht

worden, onaangenaam te zijn. W. vertaalt dan ook: „I fear me his family

are vexed.” Zoo volgt ook Vasantasenâ’s vraag zeer logisch op de

opmerking der ceṭî, dat haar Meesteres „savvajaṇassa hiae” is.

Blz. 88. R. 24. Muddheṇa muheṇa adikaruṇaṃ mantesi (St. 95:19) vert.

B.: „Dein einfältiger Mund spricht gar kläglich.” Ik heb adikaruṇaṃ als

object van mantesi opgevat; zoo doet ook Fr., die het vertaalt: „ein

hartes Wort des Vorwurfs.” Of aan karuṇa deze bet. mag worden

toegekend, zou ik echter betwijfelen (cf. P.W. i. v.).

Blz. 89. R. 21. Çûle (St. 97:3), bij St. weergegeven door Skr. sûtaḥ,

in Calc. II en III door Skr. sûraḥ, kan alleen aan ’t laatste woord

beantwoorden, dat hier geen zin oplevert, of aan Skr. sûryaḥ (vgl. St.

116:7), waarvan hetzelfde geldt, of aan Skr. çûraḥ (aldus de Comm. bij

R., vgl. ook St. 12:5). Het is dus òf met „held” te vertalen, òf, wat

mij verkieselijk schijnt, te emendeeren tot çûde (of çûe).

Blz. 90. R. 15. Deze beide regels (St. 98:4–5) luiden bij B.: „Nachdem

ich ein ganzes Meer von Widerwärtigkeiten und Ungemach für uns

Menschen, das man mit dem Namen eines königlichen Gefängnisses belegt,

hinter mir habe.”

Blz. 90. R. 21. Voor açrûṇi vimṛjya (St. 98:10) leest B. met Calc. II

(en III): açrûṇi visṛjya („Thränen vergiessend”); ik behield de lezing

van St.

Blz. 90. R. 25. Dezen versregel (St. 98:14) vert. B.: „Einem Könige

kann man wohl beikommen, wie mag man aber an einen Kampf mit einem

Stärkeren denken?” Ik vermoed, dat uit de â van het voorafgaande çakyâ

a met gamyo te verbinden is.

Blz. 91. R. 3. Svairam (St. 99:6) vert. B.: „ohne Weiteres”; de

beteekenis b) van het P.W. „langsam, leise, vorsichtig, behutsam”

scheen mij hier verkieselijk; evenzoo St. 107:16 en 165:3.

Blz. 91. R. 15. In de ârya-strofe (St. 99:16–18) is het metrum in de

war. Voor het tweede ca, câbi te lezen, zooals St. onder corrigenda (p.

331) geeft, brengt hierin geen verbetering. Door voor acchadha,

gacchadha en voor bandhaṇaṃ ca, bandhaṃ ca te lezen, wordt het metrum

hersteld. Voor vaccai (St. 99:17, ook: 100:19; 101:7; 105:4 en 9) zal

wel vajjai (zie: St. 100:15) te lezen zijn. ’t Eerste toch beantwoordt

aan Skr. vartate, niet aan Skr. vrajati.

Blz. 91. R 35. Voor bhaḍa (St. 100:10) lees ik bhadda (Skr. bhadra).

Blz. 93. R. 4. Pûrvavairî en pûrvabandhuḥ (St. 101:18) vert. B.:

„ärgster Feind” en „bester Freund.” Fr. heeft: „Der eine ist seit

langer Zeit mein Feind, Der andre ist mein alter guter Freund.” (Zoo

ook W. en R.). Dat echter Vîraka en Candanaka oude bekenden van ′Aryaka

zouden zijn, blijkt uit niets. Bestond er tusschen de beide laatsten

een vriendschapsbetrekking, dan zou Candanaka dit toch zeker vermelden

onder de redenen, die hem nopen, ′Aryaka bij te staan (St. 102:16–18).

Trouwens, dat Vîraka wel, Candanaka niet den wagen wil visiteeren,

heeft niets te maken met hun gevoelens tegenover ′Aryaka, van wien zij

niet weten, dat hij zich in den wagen bevindt. Ik geloof, dat pûrva

hier (evenals St. 2:23; 85:22) ziet op een vroegere existentie.

Blz. 93. R. 19. Voor oṇâmehi dhuraṃ (St. 102:2) verkiest B. de lezing:

uṇṇâmehi dhuraṃ („Hebe das Joch in die Höhe!”).

Blz. 93. R. 21. Ik lees met B. ayi voor api (St. 102:4).

Blz. 94. R. 12. Taha bi a loe guṇo jjevva (St. 102:21) vert. B.: „In

der Welt gilt so Etwas dennoch für eine Tugend.”

Blz. 94. R. 14. Misschien is hier, zooals B. opmerkt, voor ajjuâ (St.

102:22) ajjaâ te lezen, wat in Calc. II (en III) de gewone vorm is.

Blz. 94. R. 31. Diṭṭo diṭṭâ vâ (St. 103:8) liet ik om begrijpelijke

redenen onvertaald. Çabda (St. 103:9) neemt B. in de gewone beteekenis

„woord”; hier scheen mij echter de beteekenis „uitgang” (bet. 6, P.W.)

byzonder geëigend.

Blz. 94. R. 41. Voor ajjagobâladârao (St. 103:14) lees ik: ajjao

gobâladârao; dit is immers de vaste formule, waar van ′Aryaka sprake

is.

Blz. 95. R. 35. Bhaṇau (St. 104:12) bij B.: „Wer möchte das sagen?”

volgens de lezing ko bhaṇau.

Blz. 96. R. 6. Evenals B. lees ik voor dummuhakaraḍa- (St. 104:18)

dummuha karaḍa.

Blz. 96. R. 8. Cammârao (St. 104:19) heeft blijkens hetgeen onmiddelijk

voorafgaat hier een ruimere bet. dan die van „schoenmaker” (aldus het

P.W., de Duitsche vertalers en R.). W. zegt dan ook terecht: „a Chamâr

or worker in leather.”

Blz. 96. R. 20. Suṇahasariseṇa (St. 105:4) eigenlijk: „met een hond

overeenkomende”. B. vert.: „Hundeseele”; evenzoo Fr.

Blz. 96. R. 26. Ahiṇṇâṇaṃ (St. 105:9): Geleitschein (B.), Pass (Fr.),

sauf-conduit (R.).

Blz. 98. R. 9. Deze versregel (St. 107:6) luidt bij B.: „Die Bienen

schwärmen da umher wie Leute, die den Zoll bezahlen”. Fr. daarentegen:

„Und als Beambte, die den Zoll erheben Bewegen sich die Bienen hin und

her.” (Zoo ook W. en R.). Ongetwijfeld verdient de laatste opvatting de

voorkeur; het P.W. toch geeft voor sâdhayâmi: 6) Geld, eine Schuld

eintreiben. Ook is zoo alleen de vergelijking begrijpelijk.

Blz. 99. R. 32. Als mannelijken vorm van Vasantasenâ koos ik, om het

geslacht beter te doen uitkomen, den Prâkṛt-nominatief op o. Kellner

heeft: „Zum Geier! Das ist keine Vasantasene, das ist ’n Vasantasenrich

(!)”

Blz. 99. R. 38. Na kevalaṃ çrutiramaṇîyo dṛshṭiramaṇîyo ’pi (St.

108:25) vert. B.: „Er entzückt nicht nur das Ohr, sondern auch das

Auge.” Çrutiramaṇîyo moet, dunkt mij, zijn verklaring vinden in St.

108:5.

Misschien is dit ook B.’s bedoeling, beter komt het bij Fr. uit, die

vertaalt: „Nicht nur von ihm zu hören, ist erfreulich, Das Auge freut

sich auch, ihn anzusehn.”

Blz. 100. R. 3. Ik heb gemeend voor pṛthutarasama- (St. 109:4)

pṛthutarusama- te moeten lezen, omdat 1o. het mij onwaarschijnlijk

voorkomt, dat sama hier als op zich zelf staand adj. zou zijn op te

vatten, dus anders dan het sama in den vorigen regel; 2o. de

comparatief-vorm pṛthutara hier bevreemdend is te noemen; 3o. de

beteekenis van sama als adjectief bij vakshas niet recht duidelijk is

(„bien proportionnée” bij R., „wohlgebaut” bij Fr. wijken toch tamelijk

van de eigenlijke beteekenis af; B. heeft: „ebenmässig”).

Blz. 100. R. 29. Ik lees met B. voor eso bi mukko (St. 109:19) eso

vimukko. De vertaling van deze plaats luidt bij B.: „Jetzt, da er

befreit ist, kannst du in die Ketten fahren. Ich mache mich aus dem

Staube.” Ik heb saṃgacchehi (bij St. weergeg. door Skr. saṃgaccha)

opgevat als caus., waarvoor het P.W. onder 4) geeft: „übergehen lassen

auf (Loc.), übergeben”; dus bedoelt de Vidûshaka: „Doe de voetboeien

overgaan van hem op ons” bij vajjissamo moet dan ṇialâiṃ worden

aangevuld.

Blz. 100. R. 33. Praṇayena (St. 109:22) vert. B.: „so ohne alle

Umstände”, Fr. heeft: „ganz ohne weit’res”, R. „familièrement.”

Ongetwijfeld is dit de beteekenis, die ′Aryaka bedoelt, echter vat

Cârudatta het woord blijkbaar op in de meer oorspronkelijke beteekenis:

„uit genegenheid, in vertrouwen”; dezelfde woordspeling vinden we ook

St. 24:18.

Blz. 103. R. 9. B. leest pekkhiâ (Skr. prekshitâ) en vat çalaṇamhi met

den Comm. bij R. als loc. op: „Wer die Vergänglichkeit der Dinge vor

Augen hat steht zunächst nur unter dem Schutze der guten Werke.”

Wanneer echter çaraṇa hier wordt opgevat in de bet. „Wohnung” (zie

P.W.) kan de lezing van St. (112:5) zonder bezwaar worden gehandhaafd.

Blz. 104. R. 24. Ik heb de woordspeling vrij weergegeven. De tekst

heeft dhaṇṇa, dat zoowel aan Skr. dhanya (= rijk) als aan Skr. dhânya

(= koren) beantwoordt en puṇṇa, dat zoowel aan Skr. puṇya als aan Skr.

pûrṇa beantwoordt.

Blz. 104. R. 37. Pulâṇakulutthajûçaçavalâiṇ (St. 113:22) vert. B.: „die

an Scheckigkeit alten Bohnen und Erbsen gleichen.”

Blz. 105. R. 10. Dûraṃ nigûḍhântaraṃ (St. 114:5) bij B.: „da das

Mittelstück desselben ganz versteckt ist.”

Blz. 105. R. 30. Ik lees voor bhaçṭake puttake (St. 114:16) bhaçṭakâ,

puttakâ, daar het onwaarschijnlijk is, dat deze woorden bij çamaṇake

zouden behooren; onmogelijk is het echter geenszins, daar toch de

çakâra aan het woord is, van wien terecht gezegd wordt: „sarvam asya

mûrkhasya sambhâvyate.” In Calc. II en III worden bhaçṭake en puttake

in de Sanskṛt-vertaling door vocativi weergegeven.

Blz. 106. R. 11. Deze çloka (St. 115:4–6) vert. B.: „Unsere Erde ist

schwer beladen mit Thoren, die verkehrt denken und handeln; ihre Leiber

(Knochen) sind die Felsstücke, ihr Fleisch die Bäume.” Het laatste

gedeelte van deze vertaling is mij volkomen onbegrijpelijk; een beteren

zin herkrijgt men door mâṃsavṛkshaîḥ niet als bahuvrîhi, maar als

tatpurusha op te vatten en varshman te nemen in de bet. „Scheitel” (zie

P.W.).

Blz. 106. R. 23. B. vert. kaṭhora (St. 115:13) met „üppig”; ook in het

P.W. geeft hij die bet. met verwijzing naar deze plaats. De bet.

„üppig” laat zich echter bezwaarlijk uit de oorspr. bet. „hart, steif,

fest” verklaren en is niet van elders „belegt”; waarom is kaṭhora hier

niet in de gewone bet. op te vatten?

Blz. 106. R. 31. B. vert. dezen versregel (St. 115:20): „Affen tändeln

mit Brodfrüchten”. Daar echter de maat eischt, dat de 6de syllabe van

den 4den versregel kort zij, moet wel met Calc. III paṇaçaphalâ iva

worden gelezen.

Blz. 107. R. 7. De tekst heeft: bhûmî daḍhaçantattâ (St. 116:8) de

aarde is heftig verhit (of: heftig gekweld).

Blz. 107. R. 20. Deze versregel luidt bij B.: „Ein Sonnenstrahl ist,

kluger Herr, in meinen Kopf geschlüpft”.

Blz. 107. R. 30. Hin̄gujjalâ (St. 116:24) vert. B. hier en evenzoo St.

117:7 „vor Allem aber aus (mit) Teufelsdreck.”

Blz. 107. R. 40. Zie vorige Aanteekening.

Blz. 110. R. 39. Anusarati (St. 120:14) bij B.: „verfolgt.”

Blz. 111. R. 13. Ik vermoed, dat voor manyate (St. 120:21) manyase moet

gelezen worden, tenzij manyate, als pass. opgevat, op den çakâra mag

worden toegepast.

Blz. 111. R. 34. B. vert. hier (St. 121:10): „Ich gehe nur vor Göttern

und Brahmanen zu Fusse”. Men lette op het volgend ṇahi ṇahi enz.

Blz. 113. R. 6. Tishṭatu (St. 122:25) wordt door B. op Vasantasenâ

toegepast „So mag sie sich denn erheben”; dat dit onjuist is, blijkt

uit den toestand zelve: Vasantasenâ bevindt zich in den wagen, de

çakâra daarentegen is op den grond gevallen.

Blz. 113. R. 24. Ik volg met B. de lezing lakkhaçîkâbi in plaats van

lakhaliâ bi (St. 123:12). Immers wat lakhaliâ (bij St. weergegeven door

Skr. rasa!) zou moeten beteekenen, is volkomen onzeker; lakkhaçî geeft

wel geen geheel bevredigenden, maar toch met het oog op hetgeen

voorafgaat een mogelijken zin.

Blz. 113. R. 41. Bij dit vers (St. 123:23–124:2) vergelijke men Pan̄c.

I, 182 en 405 (ed. Kielhorn5 I, p. 33 en 87) bij Van der Waals I, blz.

51 en 136 en ook Hit. II, 108 (ed. Schl.-L. p. 65).

Blz. 116. R. 9. B. volgt hier (St. 126:3) de lezing van Calc. II (en

III): bhâve bhaṭṭakaṃ mâledi en vert.: „Der kluge Herr mordet den hohen

Herrn”.

Blz. 116. R. 18. Wat met gallakka (Skr. galvarka) bedoeld wordt, is

niet recht duidelijk; B. vert. het „Krystallnäpfchen.” Het woord komt

behalve op deze plaats (St. 126:9) nog voor: St. 6:6; 77:11 en in

hetzelfde verband als hier St. 139:23.

Blz. 116. R. 23. Deze versregel (St. 126:13) luidt bij B.: „Auf einem

guten Felde findet man recht üppige Bäume mit Dornen” (Evenzoo St.

140:3–5).

Blz. 116. R. 26. Met B. lees ik voor gade bi eçe (St. 126:15) gaddabe

via çe.

Blz. 116. R. 41. De dubbelzinnigheid, die in het woord ṇâçe (St.

126:24) ligt opgesloten, dat tegelijk aan Skr. nyâsa (= pand) en aan

Skr. nâça (= ondergang) beantwoordt, heb ik gelegd in de uitdrukking

„onder iemands handen blijven”.

Blz. 117. R. 24. B. scheidt: khala caritantkṛshṭa jâtadoshaḥ (St.

127:15) en vert.: „Du Bösewicht, du niederträchtiger Mensch! Wie wagst

du es, da doch dein Vergehen offen zu Tage liegt” etc. Ik behield St.’s

lezing en heb het woord opgevat als een dvandvische samenstelling,

waarvan het eerste lid khalacaritanikṛshṭa „door schelmengedrag

verlaagd” en het tweede jâtadoshaḥ „bij wien kwaad is ontstaan, bron

van kwaad” zal beteekenen.

Blz. 118. R. 11. B. neemt hier (St. 128:8–12), evenals in vorige

soortgelijke verzen (St. 12:12–16; 19:18–22) van den çakâra, alle

eigennamen afzonderlijk, terwijl ik de patronymica met de daarop

volgende namen verbonden heb. Dat dit werkelijk de bedoeling is, wordt

vooral waarschijnlijk gemaakt door den eersten versregel, waar hij

volgens mijn opvatting van Vâlins zoon Mahendra in plaats van

Mahendra’s zoon Vâlin spreekt, wat juist een vergissing is voor den

çakâra. B. voegt verder iââ bij ’t volgende doṇaputte „oder der

fürstliche Sohn des Droṇa”, terwijl ik het met ludde verbond.

Blz. 118. R. 36. Met B. volg ik de lezing, die door den Comm. bij Calc.

II wordt aangegeven: in plaats van malei ambaçumalâ (St. 129:3) male

iaṃ ca çumalâ (Skr. mriyate iyaṃ ca sumṛtâ).

Blz. 118. R. 41. B. leest voor uttâçidâ (St. 129:5) uttâmidâ (Skr.

uttâmitâ). Ik houd het er voor, dat wij hier weer met een verspreking

van den çakâra te doen hebben, dat hij uttâmidâ bedoelt, maar uttâçidâ

zegt, wat ik in mijn vertaling heb weergegeven door „verschrikt” in

plaats van „verstrikt”.

Blz. 119. R. 2. Deze versregel (St. 129:6) is volkomen onbegrijpelijk.

B. teekent er bij aan: „Ich weiss mit dem Bruder Nichts anzufangen und

vermuthe, dass in bhâduka das Wort bhadra steckt. Ferner fasse ich

mâdeva als mâteva” B.’s vertaling luidt: „Mein Vater ist wie die Mutter

Draupadî um sein Glück betrogen worden”.

Fr. meent, dat met vañcidabhâduke Yudhishṭhira is bedoeld en vertaalt:

„Unglücklich ist, wie einst Judhischthira, Mein Vater, und wie Draupadî

die Mutter”. Ik vertaalde letterlijk naar St.; dat aldus geen

verstaanbare zin wordt verkregen, is, daar de çakâra aan het woord is,

nog geen bewijs van corruptie.

Blz. 119. R. 14. Deze laatste zes regels (St. 129:12–16) worden m.i.

terecht door Fr. onvertaald gelaten en zijn als geïnterpoleerd te

beschouwen, daar toch de viṭa eerst Blz. 120. R. 13 (St. 130:15) tot de

ontdekking komt, dat Vasantasenâ is omgebracht; ook is het

onwaarschijnlijk, dat de çakâra zijn zegezang (St. 128:25–129:8) „op de

knieën liggend” zou voordragen.

Blz. 120. R. 23. Krîḍârasodbhâsini (St. 130:21) vert. B.: „du Förderin

aller Lust zum Spiel”.

Blz. 120. R. 29. B. leest voor nu (St. 130:25) na, en vert.: „Was

könntest du nicht noch Alles vollbringen, du, durch den dieses

vollbracht ist”. Mij schijnt een tekstverandering hier noch noodig,

noch wenschelijk, daar toch St.’s lezing een goeden zin oplevert,

daarentegen bij de wijziging, door B. voorgesteld, de bet., door hem

aan de woorden gehecht, ternauwernood daaruit is af te leiden.

Blz. 121. R. 13. Nirguṇa (St. 131:17) bet. zoowel „zonder deugd” als,

op den boog toegepast „zonder pees”.

Blz. 122. R. 4. Jettike vele alan̄kalemi tettike mama aṇṇam tava (St.

132:13–14) vert. B.: „So oft ich mich schmücke, sollst du von mir einen

andern haben”.

Blz. 122. R. 8. Pâçâdabâlaggapadolikâe (St. 132:16–17, ook 132:19–20;

162:23; 164:3 en 164:8) vert. B.: „im Taubenhäuschen auf der Zinne

meines Palastes”. B. beschouwt het dus blijkbaar als synoniem van

pâçâdabâlaggakabodabâliâe (St. 21:21). Nu geeft het P.W. voor Skr.

pratolî: „breiter Weg, Hauptstrasse”; St. 99:18 wordt gesproken van een

padolîduâraa, waarmede, naar ik vermoed, „de poort, waardoor de

hoofdstraat voert, de hoofdpoort” is bedoeld. Hoe echter uit de bet.

„weg”, die van „duiventil” kan worden afgeleid, is mij niet duidelijk;

ik vermoed, dat het „omgang, gaanderij” of iets dergelijks beteekent.

Blz. 123. R. 5. Deze strofe (St. 133:23–25) luidt bij B.: „Die durch

Wind und Sonnenhitze erwärmten Blätter sind durch das Wasser des

Gewandes feucht geworden. Diese ausgebreiteten Blätter regen sich, so

meine ich, wie Federn hin und her.” Ik heb het driemaal voorkomende

patte (Skr. pattra) telkens in een andere bet. opgevat, n.l. als

„blad”, als „vleugel” en als „veer”; vithiṇṇapattâ beschouwde ik als

bahuvrîhi-samenstelling.

Blz. 123. R. 37. palaloahatthe niçcale (St. 135:2) vert. B.: „der hält

die jenseitige Welt fest in seiner Hand” (evenzoo Fr.).

Blz. 124. R. 16. Çuhidehiṃ (St. 136:14), bij St. en Calc. III weergeg.

met Skr. suhitaiḥ, door B. met Skr. sukhitaiḥ, „und (ich) habe

Wohlbehagen empfunden an meinen Gliedern”, is door mij opgevat als

beantwoordend aan Skr. çubhitaiḥ of çobhitaiḥ (aldus Calc. II).

Blz. 124. R. 19. Mukke (St. 136:16), door B. vert met „Perlen”, zal

toch wel evenals gaṇṭhî, jûlake enz. doelen op een bepaalde haardracht

en is m.i. gelijk te stellen met Skr. muktaḥ (niet: muktâḥ), waarbij

keçe verzwegen is. Dit is ook de opvatting van Fr.: „Bald aufgelöst und

bald ein Scheitelbüschel.”

Blz. 124. R. 22. Evenals B. heb ik viça- (St. 136:17) beschouwd als

beantwoord aan Skr. bisa-, niet visha, zooals de Skr.-vertalingen bij

St. en in Calc. II en III geven: hetzelfde geldt van St. 164:1.

Blz. 124. R. 27. Ik volg met B. de lezing van Calc. II, waar ajja- vóór

câludattâkeṇa (St. 137:1) is weggelaten; de çakâra toch spreekt nergens

van ajjacâludatte. ’t Zou ook mogelijk zijn, ajja van câludattâkeṇa te

scheiden en als beantwoordend aan Skr. adya op te vatten.

Blz. 125. R. 32. Paratattva- (St. 138:1) vert. B.: „die gute Sache des

Andern.”

Blz. 125. R. 41. B. verkiest de lezing praviçanti voor upaviçanti (St.

138:8).

Blz. 126. R. 20. Ik heb ajja gaccha (St. 138:23) omgezet in

overeenstemming met het onmiddelijk voorafgaande gacchâdya.

Blz. 127. R. 4. Met Calc. III lees ik ṇaṃ ettha ubaviçâmi (St. 139:17);

ook de Skr.-vertaling bij St. heeft nanu.

Blz. 127. R. 30. Çoçâbeduṃ çodhâbeduṃ poçṭâbeduṃ luṇâbeduṃ (St. 140:9),

bij B. „zu trocknen, zu reinigen, zu pflegen, zu beschneiden”, zijn

causatieven; de Skr.-vertaling geeft dan ook: çushkaṃ—, pushṭaṃ—, lûnaṃ

kârayitum (minder juist çodhayitum).

Blz. 127. R. 38. Met B. lees ik voor paviçia (St. 140:14) paveçia (vgl.

St. 133:2; 153:21; 158:12).

Blz. 127. R. 40. Ityardhokte mukhamâvṛṇoti (St. 140:15) vert. B.:

„hällt inne und verhüllt sein Gesicht”.

Blz. 128. R. 4. Uttalâanteṇa via pâaçapiṇḍalakeṇa (St. 140:20) heeft

tot merkwaardig verschillende vertalingen aanleiding gegeven; zoo heeft

W.: „like a man crossing a narrow bridge precipitately, who tumbles

into the stream”; R. daarentegen: „comme Pâyasapindaraka courant et

volant à toute vitesse”, terwijl B. het vertaalt: „wie ein

allzugieriger Reisesser” (zoo ook ongeveer Fr.). De laatste vertaling

is ongetwijfeld de juiste; slechts zal uttalâanteṇa niet aan Skr.

uttaratâ, maar aan *uttarayatâ beantwoorden, dat als denominatief van

uttara is op te vatten dus „zich te buiten gaande”, terwijl ik voor

pâaçapiṇḍalakeṇa pâaçapiṇḍâçakeṇa zou willen lezen.

Blz. 130. R. 27. Vâsati (St. 143:13); lees vâçati.

Blz. 130. R. 32. B. vert. svairaṃ (St. 143:15) hier, evenals St. 99:6

„ohne Weiteres”.

Blz. 130. R. 41. In bhinnanîlân̄janâbhaḥ (St. 143:20) is de bet. van

bhinna niet duidelijk; B. en Fr. vertalen het „zerrieben”. Moet

wellicht bhṛn̄ga- gelezen worden? (Vgl. St. 76:7.)

Blz. 131. R. 20. B.’s opvatting van nânâvâçakakan̄kapakshiruciram (St.

144:11), „mannigfache krächzende Reiher schmücken in”, waarbij pakshi

onvertaald blijft, schijnt mij onaannemelijk; want wat doen reigers in

de rechtszaal? Ook bevat het compositum ongetwijfeld een vergelijking,

evenals de andere, waarmede het op één lijn staat. R. in aansluiting

aan den Comm. van Lallâ Dîkshita, die vâçaka gelijk stelt met

karṇejaya, piçuna, vert.: „les cris des plaideurs rappellent ceux des

hérons.” Ook bij deze opvatting echter is pakshi vrijwel overbodig;

bovendien kunnen reigers bezwaarlijk met den oceaan in verband gebracht

worden. Fr.’s vertaling stemt overeen met die van R. De vertaling van

W. luidt: „and vile informers, like the hovering curlew, Hang

fluttering o’er, then pounce upon their prey.” Blijkens een Noot vat

hij nânâvâçaka op als „disguised emisseries or informers.” De eenige

oplossing schijnt mij, aan kan̄ka hier een andere dan de gewone

beteekenis toe te kennen, waardoor het op één lijn te stellen is met

mantri, dûta, câra en kâyastha en wel ongeveer die beteekenis, welke

door Lallâ Dîkshita aan vâçaka, door W. aan nânâvâçaka wordt

toegeschreven. Hierbij denke men aan de bet. van Skr. baka: „eine

Reiherart” èn „Heuchler, Betrüger”.

Blz. 131. R. 22. Nîtikshuṇṇataṭaṃ (St. 144:22) vert B.: „und die

Staatsklugheit bildet das unterwühlte Ufer”; kshodati bet. echter in de

eerste plaats „vaststampen”, dan „door stampen doen schudden” en ook

„stukstampen”; wat echter niet hetzelfde is als „unterwühlen”.

Blz. 131. R. 34. Terecht leest B. met Calc. II (en III) voor

naitadvibhâjanam (St. 144:19) naitaddhi bhâjanam.

Blz. 132. R. 7. B. leest voor prasaktaḥ (St. 145:7) prasaktiḥ; ik

behield de lezing van St.

Blz. 132. R. 23. Met B. volg ik hier de lezing van Calc. II (en III):

eṇṇi gûhadi ṇa taṃ hi bkaṭṭake (vgl. St. 145:17).

Blz. 133. R. 5. Voor asambaddhaḥ khalvasi (St. 146:7) leze men

asambaddhaṃ jalpasi.

Blz. 133. R. 31. Mijn vertaling van dit vers (St. 146:20–24) stemt in

hoofdzaak met die van B. overeen; alleen vat deze den derden versregel

als een afzonderlijken zin op („Das ist nicht dein wirkliches Gesicht,

Geehrter!”), wat met de adverbiale beteekenis van mithyâ niet wel is

overeen te brengen; mithyâ moet hier „zonder reden, zoo maar” of iets

dergelijks beteekenen. Voor antarâ te lees ik met Calc. I, II en III

antarâle, zonder daarbij echter den Comm. = gagane aan te nemen.

Blz. 135. R. 26. B. leest wel terecht voor loka- (St. 149:1) loke.

Blz. 135. R. 35. B. vat chidreshvanarthâ bahulîbhavanti (St. 149:6) als

afzonderlijken zin op: „wo einmal ein Riss ist, da mehren sich die

Uebel.”

Dezelfde woorden vindt men ook Pañc. V, k. 5 (ed. Kielhorn V, p. 49)

bij Van der Waals III, blz. 81.

Blz. 135. R. 42. De vertaling van dit vers (St. 149:9–13) luidt bij B.:

„Nur ein Bösewicht, der Andere um ihre Vorzüge beneidet und von

Leidenschaft geblendet ist, ist im Leben mordlustig. Darf man das, was

ein Mann in Folge seiner niedrigen Geburt fälschlicher Weise vorbringt,

für gültig halten. Nein das darf gar nicht in Betracht gezogen werden”.

Blz. 136. R. 29. Den laatsten versregel (St. 150:7) vert. B. op grond

van den Comm. bij Calc. II (vyasanena bâlyasulabhakrîḍayâ): „Mit

Unrecht, ach, erfreust du dich stets an Spielereien”. Ik betwijfel, of

aan paravyasana deze bet. mag worden toegekend en verkies voor para de

bet. „hoogste” (zooals ook de Comm. doet), voor vyasana de gewone bet.

„ramp”, terwijl met die hoogste ramp niets anders bedoeld kan zijn dan

de terechtstelling van Rohasena’s vader.

’t Eenige, wat vreemd blijft, is de instr., waar men eerder een loc.

zou verwachten.

Blz. 136. R. 38. B. merkt terecht op, dat imassa (St. 150:13) niet met

Calc. II door Skr. asyâs mag worden weergegeven en verkiest derhalven

de lezing idaṃ se; mij schijnt het beter imassa te behouden, dat dan

alleen op Rohasena kan slaan; immers dit levert een zeer goeden zin,

terwijl bij B.’s opvatting tâ samappehi volkomen overbodig is.

Blz. 137. R. 20. Met B. verkies ik hier (St. 151:6) de lezing van Calc.

II (en III) strî ratirvâviçeshena; immers het ca bij St. is volstrekt

onbegrijpelijk. Ook eischt aviçeshena, dat er verschillende dingen

genoemd worden, niet alleen „de Rati der vrouwen”, zooals St. heeft.

Blz. 137. R. 38. puraṭṭhâbaṇavihârârâmadeulehiṃ (St. 151:14–15) luidt

bij B.: „durch Errichtung von Burgen, mit Klöstern, Hainen, Tempeln”;

ik vatte puraṭṭhâbaṇa- op als bepaling der drie volgende substantiva

met bet. „de stad bevestigend”.

Blz. 138. R. 27. B. vert. dit vers (St. 152:14–16): „Das schwache Auge

des Königs wird es nicht für Wahrheit halten, und wenn ich nur

klägliche Worte vorbrächte, würde der Tod nicht rühmlich sein”. Alle

vertalingen zijn hier min of meer verschillend; mijn opvatting staat

het dichtst bij die van W., ofschoon deze de plaats, zooals gewoonlijk,

zeer vrij weergeeft.

Blz. 139. R. 11. B. leest met Calc. I voor aṇabhijâṇido (St. 153:2)

aṇado (l. aṇṇado); ik behield de lezing van St., die m.i. een zeer

goeden zin oplevert, wanneer na ṇa hu ṇa hu een komma wordt gedacht.

Blz. 140. R. 16. Ook hier (St. 154:6) volg ik met B. de in de Aant. bij

Blz. 35. R. 22 vermelde lezing; viçeshena is hier volkomen

onbegrijpelijk.

Blz. 140. R. 33. B. verkiest hier (St. 154:15) de lezing van Calc. I ṇa

a aham atthiṇî; echter schijnt mij St.’s lezing logischer, immers uit

het feit, dat Vasantasenâ’s moeder niet de aanklaagster is, behoeft

niet de vrijlating van Cârudatta te volgen en bovendien is dan het

voorafgaande atthippaccatthtṇaṃ vavahâro in tegenspraak met de

conclusie. Daarentegen bij St.: „Het proces is de zaak van aanklager en

beklaagde; ik als moeder der vermoorde ben de aanklaagster; daar ik

echter de veroordeeling van den beklaagde niet wensch, moet hij worden

vrijgelaten.”

Blz. 141. R. 7. De hier (St. 154:24) bedoelde plaats (Manu 8, 380)

luidt: „na jâtu brâhmaṇam hanyât, sarvapâpeshvapi sthitam; râshṭrâd

enaṃ bahiḥ kuryât samagradhanam akshatam”.

Blz. 141. R. 10. Met B. heb ik tahiṃ (St. 155:2) bij het voorafgaande

ajjâ gada mhi gevoegd (aldus Calc. III).

Blz. 141. R. 11. Terecht leest B. met Calc. II (en III) voor tahiṃ

jjeva (St. 155:3) tâiṃ jjevva.

Blz. 141. R. 12. tti (St. 155:4) behoort, zooals B. opmerkt, niet op

bhajjedha, maar op sâsîadi te volgen.

Blz. 142. R. 15. Deze beide versregels (St. 156:3–5) zijn niet volkomen

duidelijk, tenzij krakaca gelijk gesteld mag worden met çûla (vgl.

echter St. 176:2, waar zij als verschillende strafwerktuigen worden

genoemd). Ik heb met B. den zin als vraag opgevat, maar vermoed, dat

vóór vîkshya een avagraha is weggevallen. Over de godsoordeelen met

vuur en water handelt Manu 8, 114 vlg.

Blz. 143. R. 2. Daar het vers, waarmede het 10de Bedrijf aanvangt (St.

157:2–4) gedeeltelijk volkomen duister is, laat ik het liever geheel

weg dan een vertaling te geven, die toch onzeker is. Zoo de

Skr.-vertaling bij St. juist is, staat er dit: „Waarom dan maakt

gijlieden aanleiding? In een menigte van nieuwe terechtstelling en

gevangenneming ervaren, zijn wij bedreven in hoofd-afhouwen en

op-den-paal-steken in korten tijd.” B. heeft: „Warum unterweist ihr uns

nicht in eurer Kunst, die ihr euch auf eine Menge neuer Todesarten und

Fesselungen versteht? Bald wären wir im Köpfen und Pfählen geschickt”;

maar merkt hierbij op: „Die Commentare schweigen, und auch ich hätte

diese Zeile lieber nicht übersetzt, da ich auf blosses Rathen

angewiesen bin.”

Blz. 143. R. 11. Raktagandhânuliptaṃ (St. 157:10) voegt B. bij baliṃ en

vert. het: „mit einem Bischen Blut beschmiert”. Nu wordt weliswaar voor

gandha de bet. „eine Spur von, ein Wenig” opgegeven, waarin het o.a.

ook in de Mṛcch. voorkomt (St. 123:12; 124:15); echter komt het mij

hoogst onwaarschijnlijk voor, dat gandha hier in die bet. zou zijn op

te vatten (besmeerd met een reuk van bloed!). Beter schijnt mij Fr.’s

vert.: „[der] eingerieben ward mit rothem Sandel.” R. geeft ook deze

vertaling in een Noot. Rakta-gandha bet. letterlijk rood reukwerk (vgl.

St. 157:18).

Blz. 143. R. 23. B. vert. hastaka (St. 157:18) met „Handspur” in

overeenstemming met den Comm. bij R.: hastâḥ iva hastakâḥ hastacihnâni.

Blz. 143. R. 29. B. leest met Calc. I (en III) voor upajâtakhedâḥ (St.

157:21) upajâtabâshpâḥ „ihre Augen füllen sich mit Thränen”; ik volgde

de lezing van St.

Blz. 144. R. 4. B. vert. çan̄kamaṃ tâlâṇaṃ (St. 158:3) op grond van den

Comm. bij Calc. II met „wenn Sterne herabfallen”.

Blz. 144. R. 12. Ik houd het er voor, dat voor vajje (St. 158:7 en 9)

vaççe moet gelezen worden; het is toch ondenkbaar, dat de nedervallende

tranen der vrouwen door den Cândâla voor een bliksemstraal worden

aangezien. Dat Skr. varshaḥ in de taal der Cândâla’s, die het meest

overeenkomt met het Mâgadhî, vaççe zou luiden, meen ik op grond van

vaççadi (St. 79:9) te mogen aannemen.

Blz. 145. R. 20. Bandhu (St. 159:20) bij B.: „Freund”.

Blz. 146. R. 25. B. leest wel terecht voor -bhojanam (St. 160:20)

-bhâjanam.

Blz. 146. R. 38. Abbhudae avaçâṇe (St. 161:4) vert. B.: „Auf der Höhe

des Glücks und in der Todesstunde”.

Blz. 147. R. 2. Met B. volg ik hier (St. 161:7) de lezing van Calc. II

(en III) paṇamia matthae ṇa kâavvam (B. leest kâavve).

Blz. 148. R. 2. B. volgt de lezing adyâvagacchâmi (vgl. St. 162:2).

Blz. 148. R. 4. Wat met samasthita ityâdi paṭhati (St. 162:2–3) wordt

bedoeld, is niet duidelijk; immers een aldus aanvangend vers komt niet

voor. Wel vindt men samasaṃsthitasya (St. 159:20), maar het is

bevreemdend dat Câr. juist deze regels zou herhalen, waar Maitreya hem

zoo groot blijk van vriendschap geeft.

Blz. 148. R. 25. Yatredaṃ phalamapi jîvitâvasânam (St. 162:12) vert.

B.: „deren reife Frucht des Lebens Ende ist”, waarbij echter api niet

tot zijn recht komt. Mijn vertaling komt overeen met die van Fr.

Blz. 148. R. 32. B. leest voor ettha (St. 162:18) atthi: „Die Sache

verhält sich folgendermaassen”.

Blz. 149. R. 9. Çasye (St. 163:8, ook 171:22) te lezen sasye.

Blz. 149. R. 29. Ik vermoed dat çâliççakûleṇa (St. 163:20) in twee

woorden moet gelezen worden; en er dus letterlijk staat: „met rijst van

rijst”; met kûla (Skr. kûra) wordt speciaal de gekookte rijst bedoeld.

Dat çâliçça niet aan Skr. sâdṛçya (bij St.) beantwoordt, spreekt van

zelf. B. vert. dit en het volgend gulodaṇeṇa: „rothen Reis und Reis mit

Butter” (Skr.-guḍa?)

Blz. 149. R. 36. Viçagaṇṭhigabbhapaviçṭeṇa (St. 164:1) zie Aant. bij

Blz. 124. R. 22.

Blz. 149. R. 40. B. schijnt evaḍḍhe jaṇaçamadde (St. 164:5) als loc. op

te vatten; ik heb het met de Skr.-vertaling als nom. beschouwd.

Blz. 150. R. 3. Ṇibaḍidâ (St. 164:9) vert. B. „erschallen”; ik geloof

eerder, dat het als synoniem van ṇivâlidâ is te beschouwen, gelijk ook

R. doet („cessé-interrompu”).

Blz. 150. R. 29. Door B. als vraag opgevat: „Wie in aller Welt! Habe

ich nicht den Diener Sth. in aller Ordnung gebunden?” (St. 164:24–25).

Blz. 150. R. 33. Svairakam (St. 165:3) vert. B. hier „unbefangen” (vgl.

Aant. bij Blz. 91. R. 3).

Blz. 151. R. 3. Viḍatte ceḍe kiṃ ṇa ppaḍabedi (St. 165:11–12) bij W.:

„a scorched slave will set anything on fire”; bij R.: „quand on corrige

un esclave, on allume en lui le feu de la colère”; bij B.: „Warum

sollte ein gebrannter Diener nicht Gluth ausströmen?” (evenzoo ongeveer

Fr.) De opvatting van W., B. en Fr. schijnt mij hierom bedenkelijk,

daar de çakâra den slaaf niet heeft gebrandmerkt, maar alleen geslagen,

wat toch bezwaarlijk door vitaptaḥ kan worden uitgedrukt (het „corrige”

van R. is geheel willekeurig); ook schijnt mij de woordspeling, die in

het gezegde zou liggen, wat al te gezocht. Ik geloof, dat wij hier

moeten afwijken van de Sanskṛt-vertaling en viḍatte als = Skr.

viraktaḥ, ppaḍabadi als = Skr. pralapati opvatten. Of bij deze

opvatting viḍatte en ppaḍabadi mogen behouden blijven of wel vilatte,

ppalabadi moet gelezen worden, durf ik niet beslissen (Calc. III heeft:

vitatte ceḍe kiṃ ṇa ppalabadi).

Blz. 151. R. 10. B. splitst nishkâranopagata bândhava dharmaçîla (St.

165:18) en vert.: „du bist ein Freund, der in uneigennütziger Weise

Andern beispringt und ein ehrenwerther Mann”. De lezing van St. schijnt

mij verre te verkiezen en geeft immers een uitstekenden zin; bij R.:

„[tu] qui remplis à mon égard les devoirs d’un parent, sans que j’ai

rien fait pour le mériter”.

Blz. 151. R. 12. Letterlijk: „Het Noodlot stemt niet toe; wat is nu

niet gedaan door U?” (St. 165:20). Het laatste gedeelte van dit couplet

herinnert aan het bekende yatne kṛte yadi na sidhyati ko ’tra doshaḥ

(Pañc. II, 130).

Blz. 151. R. 38. Voor juttam ṇṇedam (St. 166:13) lees ik met Calc. II

en III juttaṃ ṇedam (Skr. yuktaṃ nedam); volgens deze lezing vert. ook

B.

Blz. 152. R. 23. B. voegt mayâ bij hatâ priyeti (St. 167:12) en vert.:

„dass man hier sagen wird, ich hätte die Geliebte umgebracht”. Maar

wanneer Câr. de woorden van het publiek aanhaalde, zou in plaats van

mayâ, anena moeten staan; en bovendien Câr. moet immers zeggen: mae

vaçantaçeṇâ vâbâdidâ (St. 167:3).

Blz. 153. R. 11. B. leest met Calc. I (en III) na teṇa (St. 168:3)

baddhâveṇa of vaṭṭâbeṇa (Skr. vardhâpanena) en vert.: „bei dessen

Geburtstagsfeier alle zum Tode Verurtheilten begnadigdt werden”.

Blz. 153. R. 28. B. leest met Calc. II (en III) voor prakhala- (St.

168:14) prabala- „durch die Reden mächtiger Männer.”

Blz. 153. R. 36. Wil men veçaṃ (Skr. 168:21) gelijk stellen met Skr.

veshaḥ, dan dient wel veçe te worden gelezen.

Blz. 154. R. 12. Evenals B. heb ik met Calc. II (en III) loe (St.

169:4) gevoegd bij den volgenden zin.

Blz. 154. R. 14. Uṭṭhantapaḍantâha enz. tot câṇḍâlaṃ prati (St.

169:5–7) wordt door Calc. III als vers gedrukt. Wat met vaçaṇapâliâ

bedoeld wordt, is niet zeer duidelijk; B. vert.: „Wenn aber Jemand

zuerst sich erhebt und dann fällt, so ist es als wenn sein Gewand

abfiele” en merkt hierbij onder „Anmerkungen” op: „Der Sinn ist wohl:

Wer zuerst hoch steigt und dann fällt, befindet sich in der Lage eines

plötzlich nackt dastehenden Mannes”. Ik vermoed, dat met uṭṭhedi en

paḍadi „geboren worden” en „sterven” wordt bedoeld en vaçaṇapâliâ ziet

op de reïncarnatie.

Immers ook elders wordt de wisseling van lichaam met de wisseling van

kleederen vergeleken, zoo Bhag. II, 22, waar gezegd wordt: vâsâṃsi

jîrṇâni yathâ vihâya navâni gṛhṇâti naro ’parâṇi, tathâ çarîrâṇi vihâya

jîrṇânj anyâni saṃyâti navâni dehî. Het feit, dat de dood niets anders

is dan de geboorte tot een nieuw leven, schijnt mij een gepaster troost

voor een terdoodveroordeelde dan te wijzen op de wisselvalligheid van

het geluk der menschen.

Blz. 154. R. 37. B. merkt op: „vasundharâ (St. 169:20) kann nicht

richtig sein, man erwartet Schiff, wie S. 41, Z. 20.” Het komt mij

voor, dat juist op grond van die analoge plaats aan vasundharâ (sc.

naus) hier de bet. „schip” mag worden toegekend.

Blz. 156. R. 10. Waarschijnlijk berust het ontbreken van dezen regel

(St. 171:5) in B.’s vertaling op een vergissing; immers onder

„Anmerkungen” wordt van een opzettelijke weglating geen melding

gemaakt.

Blz. 156. R. 13. Câhû (St. 171:7) is door mij adverbiaal opgevat (de

Skr.-vert. bij St. heeft sâdhur); om deze opvatting mogelijk te maken,

moet wel câhu (sâhu bij Calc. I) gelezen worden. B. heeft: „Gut dass

wir den Ehrenmann nicht hingerichtet haben”, waarbij câhû adverbiaal èn

substantivisch vertaald schijnt.

Blz. 156. R. 29. Na maledha (St. 171:18) is tthi in te voegen, zooals

B. terecht opmerkt.

Blz. 157. R. 22. Vidyeva (St. 172:13) door B. vert.: „wie ein

Zauberspruch”; ik geloof eerder, dat Vasantasenâ met de Kennis, de

Wijsheid wordt vergeleken en wel omdat zij door haar verschijning de

ware toedracht der zaak aan het licht brengt. W. vert. het: „like the

wondrous power That brings back life to its deserted source”, R.:

„comme un merveilleux elixir”.

Blz. 157. R. 28. Mṛto pi ko nâma punar dhriyeta (St. 172:16) vert. B.:

„Wer würde sonst noch leben, wenn er gestorben wäre?” en Fr.: „Wer wäre

sonst im Leben noch, Nachdem er schon gestorben war!” De zin van deze

woorden is mij niet helder; ook is dhriyate niet „leven” maar „in het

leven blijven” en waar blijft api? Wanneer men den zin niet als vraag

en ko als pron. indefin. opvat, is de bet. volkomen duidelijk. Reeds W.

vert.: „Such is the force of love omnipotent Who calls the very dead to

life again” en nog juister bij R.: „Ah! puissance de l’union des

amants! Elle rendrait un mort à la vie.”

Blz. 157. R. 31. Deze beide versregels (St. 172:18–20) luiden bij B.:

„wie dieses selbe schöne rothe Gewand und diese Kranz durch die Ankunft

der Geliebten den Bräutigam kleidet.” Ik geloof niet, dat vara in den

eersten versregel anders is op te vatten dan in den tweeden (nl. als

„bruidegom”); Câr. zal toch wel niet het kleed, waarin hij ter dood

gebracht zou worden een uitstekend gewaad noemen. Ik geloof, dat men na

raktam, vastram verzwegen moet denken, gelijk reeds W. deed: „This

crimson vesture be the bridegroom’s garb”.

Blz. 158. R. 14. B. volgt hier (St. 173:12) de lezing: mâlidâ mae

diṭṭhâ.

Blz. 158. R. 18. Waarom B. (en ook Fr.) jayati (St. 173:14, 15, 16) met

„es lebe” vertaalt, is mij niet duidelijk. Ik geloof, dat jayati niets

anders is dan „hij overwint”, zooals ook blijkt uit het object kṛtsnâṃ

gâm. Dat de overwinning op Pâlaka in de eerste plaats het werk der

goden is, spreekt immers van zelf.

Blz. 158. R. 24. Çeshabhûtâṃ (St. 173:21) vert. B.: „als heiligen

Kranz.” Ook geeft het P.W. voor çeshâ Pl. „von einer heiligen Handlung

übrig gebliebene, Segen bringende Blumen”; Sg. „ein solcher Kranz,”

waarbij het „çeshabhûtam metrisch für çeshâbhûtam” dan op deze plaats

zou moeten worden toegepast.

Blz. 158. R. 33. B. leest wel terecht ayi voor api (St. 174:3).

Blz. 158. R. 36. Volgens B. zouden guṇadhṛtayâ en suçîlavatyâ (St.

174:7) zoowel op nâvâ als op priyatamayâ moeten worden toegepast. Hij

vert. dienovereenkomstig: „Seine von Tugenden getragene, höchst edle

Geliebte war sein durch Seile getragenes, wohl ausgerüstetes Schiff”.

Of sucîlavatî ook op het schip mag worden toegepast, is echter

twijfelachtig (zie: Anmerkungen, p. 213).

Blz. 159. R. 41. Met B. lees ik voor dukkale (St. 175:15) dukkule (Skr.

dushkulaḥ).

Blz. 161. R. 17. Met B. volg ik de lezing vadatvâryaḥ voor vadatyâryaḥ

(St. 176:25).

Blz. 161. R. 21. Hier begint de interpolatie van Nîlakaṇṭha, die ik

onvertaald liet. W. en R. namen ze in hun vertaling op, Fr. geeft ze

vertaald als bijlage.

Blz. 162. R. 29. Deze laatste versregel (St. 178:3) luidt bij B.: „Wenn

ich ausser diesem noch etwas Anderes erlangen soll, so bitte ich dich

jetzt um Folgendes”. Het onjuiste dezer vertaling blijkt reeds hieruit,

dat er een beschouwing over de wisselvalligheid van der menschen lot op

volgt en niet een of ander verzoek aan Çarvilaka. Bovendien is het

duidelijk, dat Cârudatta in de voorafgaande drie versregels te kennen

geeft, dat hij alles heeft en dus niets meer voor hem te wenschen

overblijft, zoodat de vierde regel niet anders dan als vraag is op te

vatten. Men vergelijke ook het slot van Bhaṇa’s Pârvatîpariṇayanâṭaka,

dat juist dezelfde wending bevat. Daar vraagt Çiva aan Himavat: kimataḥ

paraṃ te priyamasti, waarop deze antwoordt:

samadhigatasakalamanorathânâṃ kimataḥ paraṃ prârthanîyam.

tathâpîdamastu bharatavâkyam; hierop volgt dan de zegenspreuk, die het

stuk besluit.

Het leemen wagentje: Indisch tooneelspel uit Sanskṛt en Prākṛt in het Nederlandsch vertaald · 第 130 / 131 题