Wrijfmeester.
Zóó zal ik doen. (Zich tot den speler wendend.) De helft geef ik U, de
helft moet U mij kwijtschelden.
Speler.
Zoo zij het.
Wrijfmeester (zich tot den bankhouder wendend).
Voor de helft geef ik een schuldbrief; de helft moet UEd. mij
kwijtschelden.
Mâthura.
Wat kwaad? Zoo zij het.
Wrijfmeester (luid).
Edele, de helft is door U kwijtgescholden?
Mâthura.
Zeker.
Wrijfmeester (tot den speler).
Ook door U is de helft kwijtgescholden?
Speler.
Zeker.
Wrijfmeester.
Nu kan ik gaan.
Mâthura.
Betaal de vijf† suvarna’s; waar wilt ge heen?
Wrijfmeester.
Ziet eens aan, ziet eens aan, edele heeren. Nu heb ik voor de eene
helft een schuldbrief gemaakt en de andere helft is mij
kwijtgescholden, en toch vraagt hij mij nog de andere helft.†
Mâthura (hem grijpend).
Ik, Mâthura, ben een listige bedrieger, ik laat mij hier niet
bedriegen.† Geef dan nu dadelijk de volle som, schelm.
Wrijfmeester.
Hoe zou ik betalen?
Mâthura.
Verkoop je vader en betaal.
Wrijfmeester.
Hoe kom ik aan mijn vader?
Mâthura.
Verkoop je moeder en betaal.
Wrijfmeester.
Hoe kom ik aan mijn moeder?
Mâthura.
Verkoop je zelf en betaal.
Wrijfmeester.
Wees genadig; breng mij op de hoofdstraat.
Mâthura.
Ga voort, ga voort.
Wrijfmeester.
Zoo zij het. (Gaat het tooneel rond.) Edelen, koopt mij van dezen
bankhouder voor tien suvarna’s. (Rondziende; in de ruimte*.) Wat zegt
ge? Wat ik zal uitvoeren? Ik zal in uw huis dienen. Hoe, zonder
antwoord te geven, gaat hij heen. Kom, ik zal dien ander eens
aanspreken. (Herhaalt het vorige.) Hoe, ook deze gaat heen en versmaadt
mij. Ach, daar de edele Cârudatta zijn vermogen verloor, bevind ik mij
thans in het ongeluk.
Mâthura.
Zul je nu betalen?
Wrijfmeester.
Hoe zou ik betalen? (Hij valt neer; Mâthura sleurt hem voort.) Edelen,
redt mij, redt mij! (Dan treedt Darduraka op.)
Darduraka.
Wel, het spel is toch waarlijk voor den mensch een koninkrijk, waaraan
slechts de troon ontbreekt! En waarom?
Hij telt geen nederlaag, vanwaar z’ ook komen moge,
voortdurend neemt en geeft hij geld,
En als een koning overvloedig’ inkomst trekkend,
wordt hij door machtigen vereerd.
En ook:
’k Won mijn goed door dobbelspel,
vrouw en vriend door dobbelspel,
’k Gaf en ’k at door dobbelspel,
weg is ’t al door dobbelspel!†
En ook:
Door Tretâ is mij al mijn geld ontnomen,
door Pâvara mijn lichaam uitgeteerd,
Door Nardita is mij de deur gewezen,
door Kata ga ik heen, geruïneerd!*
(Voor zich uitziende.) Daar komt juist onze eerste speelbankhouder
Mâthura aan. Kom, wegloopen kan ik niet, dus zal ik mijn gelaat
omhullen. (Hij maakt allerlei gebaren en blijft staan; zijn overkleed
bekijkend.)
Die mantel is tot dradenarmoede geraakt,
Die mantel is met honderd scheuren opgesierd,
Die mantel kan niet door mij worden aangedaan,
Die mantel staat, als hij verborgen is, het best.