Karnapûraka.
Nu staat de mantel de Jonkvrouw eerst recht goed.
Vasantasenâ.
Karnapûraka, waar is de edele Cârudatta op dit oogenblik?
Karnapûraka.
Langs dezen zelfden weg is hij naar huis teruggekeerd.
Vasantasenâ.
Meisje, laten we op het hoogste terras gaan en naar den edelen
Cârudatta uitzien. (Allen af.)
Aldus in „Het leemen Wagentje”
het tweede Bedrijf,
„De Wrijfmeester
als Speler”
genaamd.