Koningszwager.
Wel kijk, de Meester is voor goed tot rust gekomen.
Slaaf.
Kom tot bezinning, kom tot bezinning, Meester. Door mij, die haar
onbedachtzaam hierheen voerde, is zij allereerst gedood.
Hoveling (tot bezinning komend, droevig).
De stroom met water „minlijkheid” is heengevloeid,
de Wellust naar haar vaderland gekeerd,
Ach, ach, gesierd kleinood, gij, lieflijk van gelaat,
uitblinkend door bekoorlijk minnespel,†
Ach, vloed van vriend’lijkheid met eilanden van lach,
ach, toeverlaat van lieden, mij gelijk,
Ach, ach, verloren gaat de markt van Manmatha*,
waar schoonheid lag als koopwaar opgehoopt.
(Onder tranen.) Helaas, helaas!
Wat dan toch kan het doel wezen,†
waarmee door U dit is gedaan?
Een booswicht heeft een schuld’looze,
de schutsgodin der stad, gedood!
(Bij zich zelf.) Ja, mogelijk zal die booswicht deze misdaad op mij
schuiven. Komaan, ik ga vanhier. (Gaat het tooneel rond. De
koningszwager loopt op hem toe en houdt hem vast.) Booswicht, raak mij
niet aan. Genoeg van U; ik ga.
Koningszwager.
Wel, waar vlucht ge heen, gij die Vasantasenikâ zelf hebt omgebracht en
mij belastert! Nu ben ik, zulk een man, hulpeloos geraakt.
Hoveling.
Ge zijt een verworpeling.
Koningszwager.
Honderd zaken geef ik je, een goudstuk geef ik, een koperstuk geef ik,
de kost geef ik je. Moge deze heldenmoed van Samsthânaka algemeen
worden onder de menschen.
Hoveling.
Foei, die zij van U alleen.
Slaaf.