(Dan komt een gerechtsbode op.)
Bode.
Mij is door de heeren van het gerecht gelast: „Komaan, bode, ga naar de
rechtszaal en maak de zetels gereed.” Laat ik dus de rechtszaal gaan
gereedmaken. (Gaat het tooneel rond en ziet om zich heen.) Dit is de
rechtszaal, laat ik dus binnengaan. (Treedt binnen en plaatst de
zetels, na ze te hebben afgewischt.) Nu heb ik de rechtszaal
schoongemaakt, ik heb de zetels klaargezet, laat ik dit dus weer aan de
rechters melden. (Gaat het tooneel rond en ziet om zich heen.) Hoe,
daar komt des konings zwager, die boosaardige man, juist hierheen; laat
ik dan zóó gaan, dat ik zijn gezichtskring vermijd. (Blijft ter zijde
staan. Dan komt de koningszwager op, die een schitterend kleed draagt.)
Koningszwager.
Toen ik in vloeistof, water, vocht gebaad had,
Zat ik in ’t park, in ’t bosch, in ’t woud ter neder,
Met vrouwen, jonge dochteren en meisjes
Als een Gandharva, met versierde† leden.
Soms draag ik krullen, somtijds draag ik vlechten,
en somtijds draag ik schommelende lokken,
Soms draag ik ’t haar los†, soms een hooge kuif ook,
wis’lend, afwis’lend ben ik, ’s konings zwager!
En ook: Terwijl ik als een worm, die binnen in den knoop van een
lotusstengel† is doorgedrongen, een leemte zocht, heb ik een groote
leemte gevonden; dus op wien zal ik dit jammerlijk bedrijf doen vallen?
(Herinnert zich.) Ah, ik herinner het mij, op den armen Cârudatta zal
ik dat jammerlijk bedrijf doen vallen. En overigens, hij is immers arm,
hem zal men tot alles in staat achten. Komaan, ik zal naar de
rechtszaal gaan en eerst een aanklacht doen opschrijven, dat door
Cârudattaka† Vasantasenikâ is verworgd en omgebracht. Laat ik dus naar
de rechtszaal gaan. (Gaat het tooneel rond en ziet om zich heen.) Dit
is de rechtszaal, hier ga ik binnen. (Gaat binnen en ziet rond.) Hoe,
de zetels staan gereed, aanstonds komen de heeren van het gerecht; op
dit plein, met dûrva-gras begroeid, zal ik mij een oogenblikje
nederzetten en wachten. (Zoo blijft hij.)
Bode (langs de andere zijde het tooneel rondgaande en naar voren
ziende).
Daar komen de rechters aan. Laat ik dus naderen. (Hij komt nader. Dan
komt, door een gildemeester, een griffier en anderen omgeven, een
rechter op.)
Rechter.
Hoort eens, gildemeester en griffier!
Beiden.
UEd. bevele.
Rechter.
Hoe moeilijk is het voor rechters, een anders gedachte te vatten, daar
men in rechtszaken zoo afhankelijk is van anderen.
Ter sprake brengt men een verborgen zaak,
die door het vonnis afgewezen werd,
Bekent niet eigen misdaan voor ’t gerecht,
want zelf is men door hartstocht overmand;
In misdaan, door partij en weêrpartij
van meer belang nog, wordt de vorst gemoeid;
In ’t kort: berisping is zeer licht te krijg,
de deugden van den rechter blijven ver.
En ook:
Hij haalt verstoord ’t verborgen misdrijf aan,
die door het vonnis afgewezen werd,
Bekent niet eigen misdaan voor ’t gerecht,
zij men ook zeker van zijn ondergang;
Met misdaad van partij of weêrpartij
verbondenen, zij voegen kwaad bij kwaad;
In ’t kort: berisping is zeer licht te krijg,
de deugden van den rechter blijven ver.