Vidûshaka (ze aannemend).
Ik breng U mijn dank.
Cârudatta.
Och dwaas, het is immers een toevertrouwd pand.
Vidûshaka (ter zijde).
Als dat het geval is, dan mag het voor mijn part door de dieven worden
weggenomen.
Cârudatta.
Binnen korten tijd....
Vidûshaka.
Behoort dit pand van haar aan ons.
Cârudatta.
Zal ik het teruggeven.
Vasantasenâ.
Edele, ik wensch, door dezen edelen heer begeleid, naar mijn huis terug
te keeren.
Cârudatta.
Maitreya, begeleid die achtenswaardige.
Vidûshaka.
Wanneer gij zelf haar begeleidt, die den gang heeft van een zwaan, zult
gij prijken als een flamingo. Maar ik, Brahmaan, zal door die menschen
worden omgebracht, zooals een offergave†, op den viersprong aangeboden,
door de honden wordt verscheurd.
Cârudatta.
Zoo zij het. Ik zelf zal de achtenswaardige begeleiden. Laten er dan
lampen worden aangestoken, geschikt om ons vertrouwen in te boezemen op
den heirweg.
Vidûshaka.
Vardhamânaka, steek de lampen aan.
Slaaf (zacht).
Wel, kunnen lampen zonder olie worden aangestoken?
Vidûshaka (zacht).
Nu, onze lampen kunnen dan evenmin ontvlammen als hetaeren, die
minnaars zonder geld verachten.†
Cârudatta.
Maitreya, de lampen zijn niet noodig. Zie:
De maan verrijst, bleek als de wang eener verliefde,
Van de planetenschaar omringd—de lamp des heirwegs,
Wier stralen in het dichte duister vallen,
Als drop’len melk in een verdroogden poel.
(Zich opmakend; op verliefden toon.)