’t Bastlooze zwaard, dat in de scheede sluimert,
’t Radijshuidkleurige, op schouder nemend,
Gelijk een jakhals, aangeblaft door rekels
En teven, vlucht ik henen naar mijn schuilplaats.
(Beiden gaan het tooneel rond en treden af.)
Vidûshaka.
Geachte Radanikâ, ge moet deze beleediging, U aangedaan, niet aan dien
achtenswaardige, aan Cârudatta mededeelen. Voor hem, die reeds door
armoede wordt gekweld, zou het, dunkt mij, dubbele kwelling zijn.
Radanikâ.
Edele Maitreya, ge weet immers wel, dat Radanikâ haar mond weet te
bedwingen.
Vidûshaka.
Zeker, zoo is het.
Cârudatta (tot Vasantasenâ).
Radanikâ, verlangend naar den Wind is de Avondstond. Rohasena heeft het
koud. Breng hem dus in huis en dek hem toe met dezen mantel. (Reikt
haar den mantel.)
Vasantasenâ (bij zich zelf).
Hoe, hij ziet mij aan voor zijn bediende! (Neemt den mantel en kust†
hem; bij zich zelf, verlangend.) Zie, de mantel, met jasmijngeur
doortrokken, toont dat zijn jeugd niet onverschillig is. (Doet hem
ongemerkt om.†)
Cârudatta.
Radanikâ, kom toch met Rohasena in huis.
Vasantasenâ (bij zich zelf).