Hoveling.
Door uw natuur zonder fierheid,
eert gij† hem naar hetaerenaard.
Heb ik niet tot U gezegd:
„Bedien, mijn waarde, dan gelijklijk elk,
of hij U welgevallig zij of niet.”*
Vasantasenâ.
Door een verwisseling der wagens ben ik hier gekomen; ik zoek
bescherming.
Hoveling.
Vrees niet, vrees niet. Komaan, ik zal hem misleiden. (Tot den
koningszwager gaande.) Bastaard, waarlijk, er huist een râkshasî in.
Koningszwager.
Meester, Meester, indien er een râkshasî in huist, hoe komt het dan,
dat gij niet zijt bestolen, of zoo het een dief is, dat gij niet zijt
opgegeten?
Hoveling.
Waartoe dat onderzocht? Maar waarom zouden we niet langs de reeks
parken te voet naar de stad Ujjayinî terugkeeren?
Koningszwager.
En waartoe zou dat dienen?
Hoveling.
Zoo doende nemen wij beweging en wordt den stieren vermoeienis
bespaard.
Koningszwager.
Zoo zij het. Sthâvaraka, slaaf, breng den wagen weg. Maar neen, wacht
eens, wacht eens! Voor het oog van Goden en Brahmanen zal ik te voet
gaan!† Neen, neen, ik ga met den wagen. Dan zullen ze, mij van verre
ziende, zeggen: „Daar gaat des konings zwager, de groote Heer!”
Hoveling (bij zich zelf).
Bezwaarlijk is venijn tot artsenij te maken. Komaan dan! (Luid.)
Bastaard, Vasantasenâ is hier gekomen, om U te ontmoeten.
Vasantasenâ.
Dat kwaad zij verre, dat kwaad zij verre!
Koningszwager (verheugd).
Meester, Meester, mij, den voortreffelijken mensch, den man, den
Vâsudevaka*?
Hoveling.
Zeker.
Koningszwager.
Dan is een ongekend geluk mij ten deel gevallen; indertijd heb ik haar
vertoornd, nu val ik haar te voet en vraag vergiffenis.
Hoveling.
Goed gesproken!
Koningszwager.
Zie, ik val haar te voet. (Vasantasenâ naderend.) Moedertje, zusje,
hoor mijn bede!
Zie, ’k werp, wijdoogige, mij neder aan uwe voeten,
Hef U, tiennag’lige, mijn handen, o reingetande!
Voor alles, wat ik heb misdreven, door liefde lijdend,
Vraag ik vergiffenis, o schoone, ik, die uw slaaf ben.
Vasantasenâ.