Vasantasenâ (geeft te kennen, dat haar rechter oog trilt* en bestijgt
den wagen).
Wat is dat nu! mijn rechter oog trilt. Maar kom, Cârudatta’s aanblik
zal het kwade voorteeken wegwisschen.
De slaaf Sthâvaraka (opkomend).
Ik heb de kar op zij gebracht, dus kan ik verder gaan. (Doet, of hij
den wagen bestijgt en in beweging brengt; bij zich zelf.) De wagen is
bezwaard! Maar neen, daar ik door het omdraaien van het wiel vermoeid
ben, schijnt de wagen mij bezwaard. Komaan, ik zal verder gaan. Voort,
stieren, voort!
Stem achter het tooneel.
Hé daar, poortwachters! weest op uw hoede en blijve ieder op zijn post.
Die herdersjongen heeft den kerker verbroken, den stokbewaarder gedood,
zijn boeien verbrijzeld en zóó ontsnapt vlucht hij nu voort. Dus grijpt
hem, grijpt hem!
(Zonder het gordijn weg te schuiven, komt, ontsteld, aan d’éénen voet
een boei gehecht, met omhuld gelaat, ′Aryaka op en loopt het tooneel
rond.)
Slaaf (bij zich zelf).
In de stad is groote opschudding ontstaan; dus zal ik zoo spoedig
mogelijk verder rijden. (Af.)
′Aryaka.
Ontkomen aan dien oceaan van ramp en ongeval,
Die onder menschen „Vorstelijke kerker” wordt genoemd,†
Als boei nog slechts een keten medesleepend aan mijn voet,
Zwerf ik thans rond gelijk een losgebroken olifant.
Zie, ik ben toch door koning Pâlaka, wiens vrees was opgewekt door een
voorspelling, van het veepark hierheen gevoerd en in een doodelijken
kerker met boeien geboeid. Maar aan die boeien ben ik, dank zij mijn
lieven vriend Çarvilaka, ontsnapt. (Tranen afwisschend†.)
Zoo ’t mij is toebeschikt, waarin dan heb ik misdreven,
Dat ’k als een olifant des wouds ben door hem gebonden?
Niet mog’lijk is het de vervulling van ’t Lot te keeren;
Wat strijd met machtiger, een koning, zoo ongenaakbaar!†
Dan waarheen ga ik, ongelukkige! (Rondziende.) Hier is het huis van een
braaf man, waarvan de zijdeur geopend is.
Dit huis is oud, heeft ongesloten grendels,
de groote deurvleugel gebroken hengsels,
Vast is de huisheer tot een lot vervallen,
door rampen overweldigd als het mijne.
Laat ik hier dan zoolang binnengaan.
Stem achter het tooneel.
Voort, stieren, voort!
′Aryaka (luisterend).
Wel, daar komt juist een wagen hierheen.
Zou ’t een gezelschapswagen zijn en niet bezet door slechtgezinden,
Of wel een vrouwenvoertuig, om haar af te halen hier gekomen,
Of één, toevallig juist bestemd voor buiten en voornamen waardig
En leeg,—in mijn verlatenheid mij door het Noodlot toebeschikt?
De slaaf Vardhamânaka (met den wagen opkomend).
Zoo, menschen, ik heb het wagenkussen gehaald. Radanikâ, Radanikâ! meld
Jonkvrouw Vasantasenâ: „De wagen staat gereed; laat de Jonkvrouw
instappen, om naar het oude park Pushpakarandaka te gaan.”
′Aryaka (luisterend).
Een hetaerenwagen en voor buiten bestemd! Komaan, ik stap in. (Nadert
behoedzaam†.)
Slaaf (hoorend).
Hoe, geluid van voetringen! Wel, dan is de Jonkvrouw gekomen.
Jonkvrouw, deze stieren zijn door den neusriem kregel. De Jonkvrouw
stappe dus aan de achterzijde in. (′Aryaka doet aldus.) Daar het geluid
der voetringen, die door het opspringen der voeten werden bewogen, is
opgehouden en de wagen met een last bezwaard, besluit ik, dat de
Jonkvrouw thans moet zijn ingestapt. Voort, stieren, voort! (Gaat het
tooneel rond.)
Vîraka (opkomend).
Hé daar, hé! Jaya, Jayamânaka, Candanaka, Mangala, Pushpabhadra en gij
anderen!
Hoe gaat ge zoo gerust! Die herdersjongen, die was opgesloten,
Loopt voort, gelijk zijn boeien en des konings hart verscheurend!†
Hé daar, ga gij staan aan de oostelijke hoofdpoort, en gij aan de
westelijke, en gij aan de zuidelijke en gij aan de noordelijke. En hier
deze plaats, waar de wal is ingestort, daar zal ik met Candana
opklimmen, om toe te zien. Kom, Candanaka, kom eens hier.
Candanaka (ontsteld opkomend).
Hé daar, hé! Vîraka, Viçalya, Bhîmângada, Dandakâlaka, Dandaçûra en gij
anderen!
Komt in vertrouwen hier, gezwind! Spant alle krachten in, maakt spoed!
Opdat des konings majesteit niet overga op and’ren stam.
En ook:
In tuin en speelhuis, in de stad, op straat, ter markt, in ’t veepark,
Onderzoekt ieder snel, of waar ook achterdocht verrijst.
Wel, Vîraka, wat wenkt ge toch? Zeg eens, ronduit,
Wie is het, die de boeien brak, den herdersknaap ontvoert?
Bij wiens geboorte stond de Zon in ’t achtste huis, de Maan
In ’t vierd’, in ’t zesde Çukra en in ’t vijfde Bhûmi’s zoon,
In ’t zesde Jîva, zeg, in ’t negende de zoon der Zon?
Wie is ’t, die, wijl Candana leeft, den herdersknaap ontvoert?*
Vîraka.
Waarde† Candanaka!
Door iemand wordt hij ijlings weggevoerd,
Candanaka, ik zweer U bij uw hart,
Dat, toen de zonne half verrezen was,
de herdersjongen is ontvlucht.
Slaaf.
Voort, stieren, voort!
Candanaka (den wagen ziende).
Wel, zie toch!
Een dichte wagen rijdt in ’t midden van den heirweg;
Verneem dan eens, van wien hij is, waarheen hij gaat.
Vîraka (hem in het oog krijgend).
Hé daar, voerman, rijd eens niet verder. Van wien is die wagen, en wie
is er hier ingestapt en waar gaat hij heen?
Slaaf.
Wel, deze wagen is van den edelen Cârudatta. Jonkvrouw Vasantasenâ is
er hier ingestapt en wordt naar het oude park Pushpakarandaka gevoerd,
om zich daar met Cârudatta te vermeien.
Vîraka (tot Candanaka gaande).
Deze voerman zegt: „De wagen is van den edelen Cârudatta, Vasantasenâ
is er ingestapt en wordt naar het oude park Pushpakarandaka gevoerd.”
Candanaka.
Laat hij dan gaan.
Vîraka.
Ongevisiteerd?
Candanaka.
Zeker.
Vîraka.
Op wiens gezag?
Candanaka.
Op gezag van den edelen Cârudatta.
Vîraka.
Wie is die edele Cârudatta, en wie is Vasantasenâ, dat hij
ongevisiteerd zal verder gaan?
Candanaka.
Wel, den edelen Cârudatta kent ge niet, noch ook Vasantasenikâ! Indien
ge den edelen Cârudatta en Vasantasenikâ niet kent, dan kent ge aan den
hemel niet de maan, vereenigd met den maneschijn.*
Wie kent er niet die lotusbloem van deugd,
in edelaardigheid de maan gelijk,
Behoud van wie in onheil zijn gestort,
die parel, der vier oceanen puik!
Het zijn er twee slechts, die vereerenswaard
en dezer stad ten schoonheidsteeken* zijn:
Vasantasenâ, edel van gemoed,
en Cârudatta, voorraadsschuur van plicht.
Vîraka.
Wel, Candanaka!
Die Cârudatta is mij wel bekend
en ook Vasantasenâ ken ik goed,
Maar waar het een bevel des konings geldt,
daar ken ik zelfs mijn eigen vader niet.
′Aryaka (bij zich zelf).
Hiervoormaals was wel deze mij een vriend en gene mij een vijand.†
Immers:
Schoon hun één zaak werd bevolen,
is niet hun beider zin gelijk,
Zooals van ’t vuur ten huwlijksfeest
en ’t vuur, dat op de lijkmijt brandt.
Candanaka.
Ook gij zijt een omzichtig hoofdman, des konings vertrouwde. Ik houd
deze stieren vast; visiteer den wagen.
Vîraka.
Ook gij zijt des konings vertrouwde hoofdman; visiteer gij dus den
wagen.
Candanaka.
Is wat door mij is gevisiteerd, ook door U gevisiteerd?
Vîraka.
Wat door U is gevisiteerd, dat is door koning Pâlaka gevisiteerd.
Candanaka.