′ARYAKA’S ONTVOERING.
(Dan komt Cârudatta op met den Vidûshaka.)
Vidûshaka.
Maar zie toch, hoe heerlijk is het oude park Pushpakarandaka!
Cârudatta.
Vriend, zoo is het. Immers:
De boomen schijnen kooplieden,
de bloesems zijn hun handelswaar,
Als beambten, die tol heffen,
zwerven de honingmakers rond.†
Vidûshaka.
Kom, zet U neder op dezen platten steen, in zijn eenvoud zoo lieflijk.
Cârudatta (zich nederzettend).
Vriend, Vardhamânaka blijft lang weg.
Vidûshaka.
Ik heb tot Vardhamânaka gezegd: „Kom heel vlug met Vasantasenâ hier.”
Cârudatta.
Waarom blijft hij dan zoo lang weg?
Rijdt langzaam dan een and’re wagen voor hem uit,
en zoekt hij, dien vóór te zijn?
Of is hij, omdat d’as gebroken was, gekeerd?
of is er een toom gescheurd?
Werd hij soms door een balk, die liggen bleef, gestuit,
en zoekt hij een and’ren weg?
Of wel, drijft hij te zacht het stierenkoppel voort
en nadert op zijn gemak?
Slaaf (opkomend op den wagen, waarin ′Aryaka verborgen is).
Voort, stieren, voort!
′Aryaka (bij zich zelf).
Voor d’aanblik van des konings mannen vreezend, vreezend,
Daar nog mijn voet geboeid is, niet geheel ontkomen,
Ben ’k op den wagen van een braven man gezeten,
Gelijk een koekoek, in het nest gehoed door kraaien.
Komaan, ik ben een goed eind van de stad verwijderd; zal ik nu van
dezen wagen afklimmen en het dichte struikgewas van het park inloopen?
Of wel zal ik mij aan den eigenaar van den wagen vertoonen? Maar wat
spreek ik van het dichte struikgewas van het park! Als de vriend van
hulpbehoevenden staat immers die achtenswaardige, de edele Cârudatta
bekend. Laat ik dan, na hem te hebben aanschouwd, verder gaan.
Aanziet hij mij, nauw aan dit ongeval ontgaan,
Dan komt die brave man tot opgetogenheid;
Dit lichaam, dat vervallen was tot zulken staat,
Bleef door de deugden van dien ed’le mij bewaard.
Slaaf.
Hier is het park, laat ik naderen. (Naderend.) Edele Maitreya!
Vidûshaka.
Nu, een blijde tijding breng ik U: Vardhamânaka roept, Vasantasenâ moet
aangekomen zijn.
Cârudatta.
Dat is ons lief, zeer lief.
Vidûshaka.
Slavinnenzoon, wat zijt ge zoo lang weggebleven?
Slaaf.
Edele Maitreya, wees niet boos; daar ik mij bedacht, dat ik het
wagenkussen had vergeten, moest ik terugrijden en ben daardoor zoo lang
weggebleven.
Cârudatta.
Vardhamânaka, keer den wagen. Vriend Maitreya, doe Vasantasenâ
uitstappen.
Vidûshaka.
Wat, zijn haar voeten geboeid, dat zij niet van zelf uitstapt!
(Opstaande en den wagen openend.) Wel, dat is geen Vasantasenâ, maar
een Vasantaseno†!
Cârudatta.
Vriend, houd op met uw scherts, de liefde duldt geen verwijl. Maar kom,
ik zelf zal haar doen uitstappen. (Staat op.)
′Aryaka (hem ziende).
O zie, dat is de eigenaar van den wagen, niet alleen liefelijk van
faam, maar ook liefelijk van voorkomen.† Welaan, ik ben gered!
Cârudatta (den wagen bestijgend en ′Aryaka ziende).
Wel, wie is dat?
Met armen, gelijk olifantenslurven,
en schouders, vol en hoog als van een leeuw,
Een borst, gelijk een breeden boom†, en oogen
van donk’ren glans, beweeg’lijk, lang-gerekt,
Hoe komt het, dat een man van zulk een wezen,
geraakt tot dezen toestand, hem onwaard,
Zoo machtig van gestalt, een boeienkoppel,
aan zijnen voet bevestigd, met zich draagt?
Nu, wie zijt gij?
′Aryaka.
Ik ben ′Aryaka, koeherder van afkomst, bescherming zoekend.
Cârudatta.
Die door koning Pâlaka van het veepark werd heengevoerd en gevangen
gezet?
′Aryaka.
Dezelfde.
Cârudatta.
Daar ’t Noodlot zelv’ U hier voerde,
mijn oogen U bereiken deed,
Zoud’ ik het leven zelfs laten,
maar niet U, die bescherming zoekt.
(′Aryaka legt vreugde aan den dag.)
Cârudatta.
Vardhamânaka, neem hem de voetboei af.
Slaaf.
Zooals UEd. beveelt. (Aldus doende.) Edele, de boeien zijn afgenomen.
′Aryaka.
Maar hechtere mij aangedaan, die van de vriendschap!
Vidûshaka.
Ruil de voetboeien maar om: hij is er van bevrijd, wij zullen er in
raken.†
Cârudatta.
Foei, dat zij verre!
′Aryaka.
Vriend Cârudatta, ik heb in vertrouwen† dezen wagen bestegen, dus moet
ge mij vergeven.
Cârudatta.
Gij hebt mij vereerd door dat van zelf opgevat vertrouwen.
′Aryaka.
Indien ge mij verlof geeft, wensch ik te gaan.
Cârudatta.
Gij kunt gaan.
′Aryaka.
Komaan, dan stap ik af.
Cârudatta.
Vriend, gij moet niet afstappen. Daar de voetboei U pas is afgenomen,
beweegt ge U nog moeilijk bij het gaan. In deze streek, waar men licht
menschen ontmoet, wekt een wagen geen achterdocht. Dus moet gij met den
wagen gaan.
′Aryaka.
Gelijk gij gezegd hebt.
Cârudatta.
Bereik in veiligheid uw bloedverwanten.
′Aryaka.
Verwierf ik niet in U een bloedverwant?
Cârudatta.
In uw gesprekken moet ge mij gedenken.
′Aryaka.
Mij zelven eerder ik vergeten zal!
Cârudatta.
U mogen op uw weg d’onsterf’lijken bewaren.
′Aryaka.
Gij zijt het immers, die mij hebt bewaard.
Cârudatta.
Door eigen lot zijt gij bewaard gebleven.
′Aryaka.
En toch zijt gij er waarlijk d’oorzaak van!
Cârudatta.
Daar Pâlaka alle krachten inspant, is er een talrijke wacht op de been;
dus moet ge snel ontvluchten.
′Aryaka.