Want een rechter moet immers

’t Wetboek kennend, bekwaam in ’t nagaan van bedrog,

welsprekend, niet toornig zijn,

Bij vriend, vreemd’ en verwant gelijk zijn van gedrag,

na onderzoek uitspraak doen,

Arglistigen een schrik, der zwakken toeverlaat,

rechtvaardig, van hebzucht vrij,

Bij uitweg aan de hoogste waarheid† ’t hart gehecht,

afwerend des konings toorn.

Gildemeester en Griffier.

„Ook een edele heeft gebreken” zegt men. Is dit zoo, dan kan men ook

zeggen: „In het maanlicht zelfs is duisternis.”

Rechter.

Waarde bode, ga ons voor naar de rechtszaal.

Bode.

Kom dan, heeren van het gerecht, kom. (Gaat het tooneel rond.) Dit is

de rechtszaal, treedt dus binnen, heeren van het gerecht. (Allen zetten

zich neder.†)

Rechter.

Waarde bode, ga naar buiten en verneem, wie een zaak heeft in te

dienen.

Bode.

Zooals UEd. beveelt. (Gaat naar buiten.) Edelen, de rechters vragen:

„Wie heeft hier een zaak in te dienen?”

Koningszwager (verheugd).

De rechter is gekomen! (Met trots rondloopend.) Ik, een uitstekend

mensch, een man, een Vâsudeva, des konings zwager, des konings

schoonbroeder heb een zaak in te dienen.

Bode (ontsteld).

O wee, het allereerst heeft des konings zwager een zaak in te dienen.

Welnu, Edele, wacht een oogenblikje, intusschen zal ik het den rechters

melden. (Tot hen gaande.) Edelen, daar is de zwager des konings bij de

terechtzitting verschenen, om een zaak in te dienen.

Rechter.

Hoe, het allereerst heeft de zwager des konings een zaak in te dienen.

Gelijk bij zonsopgang een verduistering voorspelt dat den val van een

groot man. Bode, wij zullen heden zeer veel hebben af te handelen. Mijn

waarde, ga naar buiten en zeg hem: „Ga, uw rechtszaak wordt heden niet

onderzocht.”

Bode.

Zooals UEd. beveelt. (Gaat naar buiten en begeeft zich tot den

koningszwager.) Edele, de rechters zeggen: „Ga, uw rechtszaak wordt

heden niet onderzocht.Ӡ

Koningszwager (toornig).

Wat, mijn rechtszaak wordt niet onderzocht! Als ze niet onderzocht

wordt, dan zal ik het zeggen aan mijn zwager, koning Pâlaka, den gemaal

van mijn zuster, en ik zal het zeggen aan mijn zuster en aan moedertje,

ik zal dezen rechter wegjagen en een anderen rechter aanstellen. (Wil

gaan.)

Bode.

Edele koningszwager, wacht een oogenblikje, intusschen zal ik het den

rechters melden. (Tot den rechter gaande.) De koningszwager is toornig

en zegt: (Herhaalt wat door hem gezegd is.)

Rechter.

Tot alles kan men den dwaas in staat achten. Wil hem dus zeggen: „Kom,

uw rechtszaak wordt onderzocht.”

Bode (tot den koningszwager gaande).

Edele, de rechters zeggen: „Kom, uw rechtszaak wordt onderzocht.” UEd.

trede dus binnen.

Koningszwager (verheugd bij zich zelf).

Kijk, eerst zegt hij: „Ze wordt niet onderzocht” en nu: „Ze wordt

onderzocht”. Dus zijn de rechters zeker wel heel bevreesd; alles, wat

ik zal zeggen, zal ik hen doen gelooven. Komaan, ik treed binnen.

(Binnengaande en nadertredend.) Wij zijn zeer welvarend, ook U kan ik

welvaren wenschen of ook niet.

Rechter (bij zich zelf).

O, wat een stevige beschaafdheid van dien aanklager! (Luid.) Wil plaats

nemen.

Koningszwager.

Wel, mij zelf behoort de grond toe; dus waar het mij behaagt, daar zal

ik gaan zitten. (Tot den gildemeester.) Hier ga ik zitten. (Tot den

bode.) Neen, hier ga ik zitten.† (Zijn hand op het hoofd van den

rechter leggend.) Hier ga ik zitten. (Zet zich op den grond neder.)

Rechter.

U heeft een zaak in te dienen?

Koningszwager.

Zeker.

Rechter.

Draag dan de zaak voor.

Koningszwager.

Ik zal ze U aan het oor zeggen. Ik ben geboren in een zoo groot

geslacht, dat den omvang heeft van een schoteltje.

’s Konings schoonvader is mijn vader,

de koning is mijn vaders schoonzoon,

Ik ben de zwager van den koning,

de koning is mijn zusters man.

Rechter.

Dat alles is bekend.

Waartoe van afkomst gesproken? Hier komt het op karakter aan.

Doornige boomen gedijen op goeden akker des te meer.

Wil dus de zaak mededeelen.

Koningszwager.

Goed, ik zal spreken. Ook al had ik misdaan, hij zou toch niets tegen

mij uitrichten. De gemaal dan van mijn zuster heeft mij als blijk

zijner tevredenheid het schoonste van alle parken, het oude park

Pushpakarandaka geschonken, om er te spelen en het te bewaken en ik ga

er dagelijks heen, om toe te zien, om het te doen droog houden, te doen

wieden, om het te doen verzorgen, om het te doen snoeien.† Door een

schikking van ’t Noodlot zie ik, of zie ik niet het lichaam van een

vrouw liggen.

Rechter.

En is bekend, wie de vrouw was, die daar was omgekomen?

Koningszwager.

O heeren van het gerecht, hoe zou ik haar niet kennen, zulk een vrouw,

het kleinood der stad, met sieraden voor honderd suvarna’s? Door den

een of anderen onmensch is Vasantasenâ ter wille van haar weinigje geld

in het verlaten, oude park Pushpakarandaka gevoerd† en door des

armstriks gewelddadigheid gedood. Niet door mij! (Na half te hebben

uitgesproken, legt hij zijn hand op den mond.†)

Rechter.

Ach, die zorgeloosheid der stadswachters! Hoor, gildemeester en

griffier, dat „Niet door mij!” moet als eerste punt van het

rechtsgeding worden opgeteekend.

Griffier.

Zooals UEd. beveelt. (Doet aldus.) Edele, het is opgeteekend.

Koningszwager (bij zich zelf).

O wee, als een gulzige rijstebrijklonteneter† heb ik mij zelf in ’t

verderf gestort. Komaan dan! (Luid.) Hoe nu, heeren van het gerecht,

zeg ik niet, dat ik haar slechts heb gezien? Wat maakt ge dan zulk

misbaar? (Wischt met den voet het opgeteekende uit.)

Rechter.

Hoe weet ge, dat zij om haar geld met den armstrik is omgebracht?

Koningszwager.

Wel, dat maak ik op uit de sterk gezwollen strepen aan haar hals en

daaruit, dat de plaatsen, waar men sieraden draagt, zonder goud waren.

Gildemeester en Griffier.

Dat komt wel uit.

Koningszwager (bij zich zelf).

Goddank, ik ben herleefd!

Gildemeester en Griffier.

Wie is in dit geding betrokken?

Rechter.

De behandeling is hier tweeledig.

Gildemeester en Griffier.

Hoe zoo?

Rechter.

Door het nagaan der woorden en door het nagaan der feiten. De

behandeling door het nagaan der woorden, die gaat uit van aanklagers en

beklaagden. Die door het nagaan der feiten, moet door het inzicht van

den rechter tot een einde worden gebracht.

Gildemeester en Griffier.

Dan is Vasantasenâ’s moeder in de zaak betrokken.

Rechter.

Zoo is het. Waarde bode, roep de moeder van Vasantasenâ hier, zonder

haar te doen ontstellen.

Bode.

Zoo zij het. (Af; komt op met de moeder der hetaere.) Volg mij, Edele.

Oude.

Mijn meisje is naar de woning van een vriend gegaan, om haar jeugd te

genieten. En nu zegt deze goede man: „Kom mede, de rechter laat U

roepen.” Dus gevoel ik mij als door een flauwte vermeesterd, mijn hart

beeft. Edele, ga mij voor naar de rechtszaal.

Bode.

Volg mij, Edele. (Beiden gaan het tooneel rond.) Dit is de rechtszaal.

UEd. trede hier binnen. (Beiden treden binnen.)

Oude (naderend).

Welvaren zij U, Edelachtbaren.

Rechter.

Mijn waarde, welkom, zet U neder.

Oude.

Het leemen wagentje: Indisch tooneelspel uit Sanskṛt en Prākṛt in het Nederlandsch vertaald · 第 100 / 131 题