Madanikâ (weenend de handen opheffend).
Dat is voorzeker zoo, maar dan brenge mijn edele gemaal mij ten minste
bij achtenswaardige lieden†.
Çarvilaka.
Juist, geliefde, juist, overeenkomstig onze gedachte hebt ge gesproken.
(Tot den slaaf.) Hé daar, weet ge het huis van Rebhila den veemheer?
Slaaf.
Zeker.
Çarvilaka.
Breng daar mijn liefste heen.
Slaaf.
Zooals UEd. beveelt.
Madanikâ.
Gelijk mijn edele gemaal zegt. Maar mijn edele gemaal zij toch
voorzichtig. (Af.)
Çarvilaka.