Slaaf (opkomend).
Een vriend’lijk heer, zijn dienaars welgezind,
staat hoog in aanzien, ook al is hij arm;
Een slechtaard echter, op zijn rijkdom prat,
is moeilijk te voldoen, in ’t einde hard.
En ook:
Een stier, die gretig is naar graan, is niet te houden;
Hij, die een anders vrouw bemint, is niet te houden;
Een man, verslaafd aan dobbelspel, is niet te houden;
Wien d’ondeugd aangeboren is, is niet te houden.
Het is al eenigen tijd geleden, dat de edele Cârudatta muziek is gaan
hooren middernacht is verstreken en nog komt hij niet terug. Laat ik
mij dus in het vertrek bij de buitendeur te slapen leggen.
(Hij doet aldus; dan komt Cârudatta op met den Vidûshaka.)
Cârudatta.
Wel, wat heeft Meester Rebhilaka mooi gezongen! De luit is toch
waarlijk een parel, al wordt ze niet door den oceaan voortgebracht.
Immers:
Vriendinne, welkom aan het harte, naar minne smachtend,
Tijdkorting, waar zich de geliefde te lang doet wachten,
Opbeuring zoetst, van die gekweld zijn door scheidingssmarten,
Doet zij—de lust van den verliefde—zijn liefde wassen.
Vidûshaka.
Kom, laten we naar huis gaan.
Cârudatta.
Wel, wat heeft Meester Rebhilaka goed gezongen!
Vidûshaka.
Wat mij betreft, er zijn twee dingen, die mij steeds doen lachen: een
vrouw, die Sanskṛt spreekt, en een man, die pianissimo zingt. Een
vrouw, die Sanskṛt spreekt, sist als een vaars, die men pas een touw
door den neus heeft gehaald en een man, die pianissimo zingt—als een
oude huispriester, die, met een krans van verdorde bloemen omwonden,
zijn gebed prevelt—behaagt mij al heel weinig.
Cârudatta.
Vriend, Meester Rebhila heeft toch zoo mooi gezongen en nog zijt ge
niet tevreden!
Voorwaar, zoo lieflijk en welluidend en helder tevens†,
Zoo vol gevoel en zoo bekoorlijk en medesleepend—
Maar waartoe zoud’ ik vele woorden van lof verkonden!
Mij scheen, of daarin de geliefde verborgen ware.
En ook:
Van dien zachtstemmige de wisseling van toon,
en smeltenden snarenklank,
Doordringend-klinkend in der woorden melodie,
wegstervend met zacht geluid,
Nu lichtelijk-gedempt en liefelijk dan weer,
in hartstocht met dub’len klank,
Voorwaar, zij van den zang de stonde reeds geëind,
ik ga, of ik ’t nog vernam!
Vidûshaka.
Kom, vriend, tusschen de kramen op de markt liggen de honden al gerust
te slapen; laten we dus naar huis gaan. (Voor zich uit ziende.) Vriend,
zie toch, als om plaats te maken voor de duisternis, daalt nu ook van
de tinne des hemels de verheven Maan.
Cârudatta.
Gij hebt waarheid gesproken:
Want ginder daalt, duisternis ruimte gevend,
ter kimme Candra*, met geheven hoornen,
Als d’olifant des wouds, zich onderdomp’lend,
de scherpe slagtandpunten slechts
vertoonend.†
Vidûshaka.
Wel, dit is ons huis. Vardhamânaka, Vardhamânaka, doe de deur open!
Slaaf.
Ik hoor de stem van den edelen Maitreya. De edele Cârudatta is
teruggekomen. Laat ik dus de deur open maken. (Doet aldus.) Edele, ik
groet U; edele Maitreya, ook U groet ik. Laten de edele heeren plaats
nemen op den zetel, die hier is uitgespreid†. (Beiden doen, of zij
binnengaan en zetten zich neder.)
Vidûshaka.
Vardhamânaka, roep Radanikâ om ons de voeten te wasschen.
Cârudatta (medelijdend).
Neen, maak geen slapenden meer wakker.
Slaaf.
Edele Maitreya, ik zal water halen, dan moet gij de voeten wasschen.
Vidûshaka (toornig).
Vriend, hoor eens aan! deze, die de zoon is eener slavin†, wil water
halen en mij, een Brahmaan, de voeten laten wasschen.
Cârudatta.
Vriend Maitreya, haal gij water, en laat Vardhamânaka mij de voeten
wasschen.
Slaaf.
Edele Maitreya, schaf water. (De Vidûshaka doet aldus; de slaaf, na
Cârudatta’s voeten te hebben gewasschen, wil heengaan.)
Cârudatta.
Wil ook den Brahmaan water voor de voeten geven.
Vidûshaka.
Wat heb ik aan water voor de voeten! Ik moet mij toch weer als een
afgebeulde ezel op den grond wentelen.
Slaaf.
Edele Maitreya, ge zijt immers een Brahmaan.
Vidûshaka.
Gelijk onder alle slangen de dundubha*, zoo onder alle Brahmanen ben
ik, Brahmaan.
Slaaf.
Edele Maitreya, ik zal ze toch wasschen. (Doet aldus.) Edele Maitreya,
dit goudkistje is overdag van mij en ’s nachts van U, neem het dus.
(Geeft het hem en treedt af.)
Vidûshaka (het nemend).
Het is er nog altijd! Is er dan hier in Ujjayinî geen dief, die dezen
slavinnenzoon†, dezen dief van mijn slaap wil medenemen! Nu, vriend, ik
zal het binnen in onze woning brengen.
Cârudatta.
Genoeg, in deze woning moet ge ’t brengen,
en daar ’t gedragen werd door een hetaere,
Daarom, Brahmaan, moet gij het zelve dragen,
zoolang het haar niet is teruggegeven.†
(Toont slaap; herhaalt:)
Van dien zachtstemmige de wisseling van toon
en smeltenden snarenklank,
Doordringend-klinkend in der woorden melodie,
wegstervend met zacht geluid,
Nu lichtelijk-gedempt en liefelijk dan weer,
in hartstocht met dub’len klank,
Voorwaar, zij van den zang de stonde reeds geëind,
ik ga, of ik ’t nog vernam.
Vidûshaka.
Heeft U slaap?
Cârudatta.
Zeker.
Het schijnt, de Slaap, die op onz’ oogen nederhangt,
van af het voorhoofd mij geheel bekruipen komt,
Van vorm onzichtbaar en als grijsheid onverhoeds†
vermeestert hij, wassend in kracht, der menschen geest.
Vidûshaka.
Laten we dan gaan slapen. (Doet of hij is ingeslapen; dan treedt
Çarvilaka op.)
Çarvilaka.
Nu ik, door vaardigheid en kracht, mij ten arbeid baande
Den weg*, die d’omvang van mijn lichaam gemak’lijk doorliet,
Ga ’k voort, al kruipend langs den bodem de lenden schurend
Als, zich van ’t oude vel ontdoende, de kronkelganger.
(Naar den hemel ziende, verheugd.) Wel zie! ten ondergang neigt de
verheven Maan!
Den held, van zins een anders huis te schaden,
behoedzaam naderend om ’s vorsten mannen,†
Hult, als een moeder, nu de Nacht, met duister
de sterren als met dichten mantel dekkend.
Na in de omheining van den boomhof eene opening te hebben gemaakt, ben
ik hier binnengedrongen; komaan, thans ga ik ook het huis schaden!
Dit handwerk! ja, de menschen noemen het gemeen,
zij zeggen: wat in den slaap
Voorvalt†, krenking van argeloozen door bedrog
is misdaad, geen heldendaad.
En toch is onafhank’lijkheid, hoe slecht befaamd,
mij liever dan dienstbaarheid—
Dit pad immers is, bij der vorsten nachtelijken moord,
door Drona’s zoon eens gevolgd.*
Dus op welke plaats zal ik nu de opening aanbrengen?
Wat plek nu is door watervloeiingen onvast,
waar geen gedruisch zal ontstaan,
En waar niet in de wanden d’opening zoo gaapt,
dat ’t oog er op vallen moet,
De leemlaag dun en door salpeter is verteerd,
de woning bouwvallig zij,
Geen vrouwvolk zich vertoonen zal en dus de zaak
mij mog’lijk gelukken kan?
(Den muur betastend.) Deze plek is door aanhoudenden zonneschijn en het
afloopen van water beschadigd, door salpeter ingevreten en hier is een
muizengat†. Komaan, dan is de zaak gelukt. Dit is bij Skanda’s* zonen
het zekerste teeken van slagen. Maar vóór ik het werk aanvang, wat voor
opening zal ik thans aanbrengen? Hierbij toch heeft de verheven God met
de gouden lans vier middelen aan de hand gedaan, namelijk: gebakken
tegels moet men uitbreken, ongebakken tegels stukslaan, een leemen muur
moet men met water begieten, een houten muur splijten. Dus hier bij een
muur van gebakken tegels moet ik de tegels uitbreken. En dan, welken
vorm zal ik kiezen?†
Den lotuskelk, de zon, de halve maan,
Den langen vijver, ’t kruis, de volle kruik?
Op welke plaats betoon ik nu mijn kunst,
Dat morgen zich de burgerij verbaast?
Wel, bij een muur van gebakken tegels staat de volle kruik het best.
Die zal ik aanbrengen.
Wanneer ik elders, door salpeter verteerde muren
’s Nachts heb gespleten of een lastig bedrijf voleindigd,
Bespreekt, in d’ochtendstond het ziende, de schaar der buren
Zoowel mijn fouten bij den arbeid, als mijn bekwaamheid.
Hulde den Wenschenvervuller, den jeugdigen Kârtikeya, hulde den God met
de gouden lans, den Brahmanen goedgunstig, den Goden genegen, hulde den
Zoon der Zon, hulde den Meester der tooverkunst*, wiens eerste leerling
ik ben. Ook heeft hij mij in zijn tevredenheid een tooverzalf gegeven:
Immers bestreken hiermede,
zullen de wachters mij niet zien
En geene pijn veroorzaakt mij
het wapen, dat mijn lichaam treft.
(Aldus doet hij.) Och, daar heb ik mijn meetsnoer vergeten! (Denkt na.)
Wel, dit offerkoord* kan mij tot meetsnoer dienen. Het offerkoord is
toch waarlijk een onmisbaar werktuig voor een Brahmaan, vooral voor een
van onze soort. En waarom?
Daarmede meet hij aan de wanden den weg ten arbeid,
Daarmede slaakt hij de verbinding van lijfsieraden,
Tot sleutel dient het bij een deur, die is dichtgegrendeld
En tot omwindsel bij insecten- en slangenbeten.*
Nu ik gemeten heb, vang ik het werk aan. (Aldus doet hij en beziet dan
de opening.) Er is nog maar één leemkluit in de opening. O wee! daar
ben ik door een slang gebeten. (Hij verbindt zijn vinger met het
offerkoord en doet, of hij de werking van het vergift gevoelt.) Na deze
behandeling ben ik weer in orde. (Hij zet het werk voort en ziet door
de opening.) Kijk, er brandt een lamp, immers:
De stralenstreng, roodachtig-geel als goud, der lamp
verschijnt op ’t aardvlak door den mond der opening
En schittert, rondom van de duisternis omhuld,
gelijk een goudstreep, op den toetssteen aangebracht.
(Hij zet het werk voort.) De opening is voltooid. Kom, ik zal naar
binnen gaan. Maar neen, ik zal nog niet naar binnen gaan, ik zal eerst
de pop naar binnen laten. (Doet aldus.) Zoo, er is niemand. Hulde aan
Kârtikeya. (Gaat naar binnen en ziet rond.) Kijk, daar ligt een tweetal
menschen te slapen. Kom, voor mijn eigen veiligheid zal ik de deur
openen. Wat is dat? De deur kraakt door de bouwvalligheid van het huis.
Laat ik dus water zoeken. Waar zou nu toch water zijn? (Ziet rechts en
links, vindt water en giet het uit; bevreesd.) Als het† nu maar niet,
bij het op den grond vallen, geluid maakt. Kom, zoo zal ik doen.
(Achterwaarts ziende†, opent hij de deur.) Kom, nu zal ik eens zien, of
dit tweetal maar in schijn of in werkelijkheid slaapt. (Hen schuddend
en nauwkeurig beziende.) Wel, die moeten in werkelijkheid slapen,
immers:
Hun ademhaling, niet-verdacht, zeer-duidelijk,
beweegt zich in even maat;
Hun vast-gesloten oog vertoont niets ongewoons
en siddert geen oogenblik;
Hun lichaam, dat met slappe leden nederhangt,
reikt verder dan ’t rustbed uit;
En ook verdroegen zij de lamp niet in ’t gelaat,
indien hun slaap schijnbaar was.
(Overal rondziende.) Wel, kijk eens aan, een trommel, daar een fluit,
daar een tamboerijn en daar een citer, hier rietfluiten, daar
handschriften. Is dit dan het huis van een dansmeester*? En toch, in
vertrouwen op het voorkomen der woning† ben ik hier binnengegaan; zou
dan deze man in werkelijkheid arm zijn of heeft hij uit vrees voor den
koning of uit vrees voor dieven zijn goed in den grond verborgen? Aan
mij, Çarvilaka, behoort voorzeker ook het goed, dat zich in den grond
bevindt. Kom, ik zal een zaadkorrel neerwerpen. (Aldus doet hij.) De
zaadkorrel is neergeworpen, maar nergens zwelt zij op. Nu, die man is
in werkelijkheid arm. Kom, dan ga ik heen.
Vidûshaka (spreekt in den slaap).
Vriend, het is, alsof ik een gat in den muur zie, het is, alsof ik een
dief zie; neemt U dus dit goudkistje.
Çarvilaka.
Wat is dat! heeft die man gezien, dat ik hier ben binnengekomen en
bespot hij mij met zijn armoede? Zal ik hem dan ombrengen? Of spreekt
hij uit lichtzinnigheid in den slaap? (Toeziende.) Wel kijk, daar zie
ik, in een versleten badbroekje vastgeknoopt, door het lamplicht
beschenen, zoo waarlijk een sieradenkistje. Kom, dat neem ik. Maar
neen, het is niet voegzaam, een zoon van goeden huize te kwellen, wiens
toestand is gelijk de mijne, dus ga ik.
Vidûshaka.
Vriend, ik bezweer U bij de liefde voor koeien en Brahmanen: neem toch
dit goudkistje.
Çarvilaka.
Niet voorbijgaan mag ik die verheven liefde voor koeien en liefde voor
Brahmanen, dus neem ik het. Maar neen, de lamp brandt. Wel, ik heb, om
de lamp uit te blazen, een vuurvlieg bij mij. Daarvoor is thans de
juiste tijd gekomen. Nu ik dit insect loslaat, fladdert het in
veelvuldige kringen boven de lamp en thans is de lamp door het
hulpvaardig insect† met den wind zijner beide vleugels uitgebluscht.
Ach, er is duisternis gemaakt! Maar ook in ons Brahmanengeslacht is er
door mij, ach! duisternis gemaakt. Want ik, de zoon van een kenner der
vier Veda’s, van één, die geen geschenken zelfs aannam, ik, de Brahmaan
Çarvilaka, bedrijf ter wille van de hetaere Madanikâ ongerechtigheid.
Thans vervul ik het verlangen† van den Brahmaan. (Wil het nemen.)
Vidûshaka.
Vriend, uw vingers zijn koud.
Çarvilaka.
Ach, hoe onvoorzichtig! door de aanraking van het water zijn mijn
vingers koud. Wel, ik zal mijn hand in de okselholten steken. (Doet,
alsof hij zijn linkerhand verwarmt en neemt het.)
Vidûshaka.
Ge hebt het genomen?
Çarvilaka.
Dat verlangen van een Brahmaan mag men niet voorbijgaan, dus heb ik het
genomen.
Vidûshaka.
Nu zal ik zoo gerust slapen als een koopman, die zijn waren heeft
verkocht.
Çarvilaka.
Groot Brahmaan, slaap honderd jaar!—Helaas! ter wille van de hetaere
Madanikâ, heb ik een Brahmanengeslacht doen nederstorten in de
duisternis der hel. Maar neen, ik zelf ben ten val gebracht.†
Helaas! vervloekt zij d’armoede,
die wel geheime kracht bezit,
Daar deze daad, zoo verfoeilijk,
ik wel misprijs—en toch verricht.
Nu wil ik, om Madanikâ los te koopen, naar het huis van Vasantasenâ
gaan. (Gaat het tooneel rond en ziet om zich heen.) Hé, ik hoor, meen
ik, geluid van voetstappen; als het maar geen wachters zijn! Wel, ik
blijf staan als een paal. Maar kom, bestaan er voor mij, Çarvilaka, dan
wachters? voor mij, die
Een kat ben in het gaan, in ’t vluchten een gazel,
in greep en pakken† een valk,
In ’t schatten van der menschen kracht, ook in den slaap,
een hond, in ’t kruipen een slang,
In ’t nadoen van gestalt’ en kleeding het Bedrog,
in vreemden tongval de Taal,
In duisternis een lamp, in engt’ een hagedis,
te water schip, ros te land.
En ook:
Een slang gelijk in ’t gaan, een berg in ’t staan,
niet minder zwerfziek dan der vog’len vorst*,
Ben ’k als de haas in ’t speuren langs den grond,
in ’t grijpen als de wolf, in kracht een
leeuw.
Radanikâ (opkomend).
O wee, o wee! Vardhamânaka had zich in het voorvertrek te slapen gelegd
en nu zie ik hem hier niet. Kom, ik zal den edelen Maitreya roepen.
(Gaat het tooneel rond.)
Çarvilaka. (wil Radanikâ treffen, nauwkeurig toeziende).