Koningszwager.
Laat uit verlegenheid of vrees
de valschaard zijn gedrag verhelen!
Nu zelf om geld hij heeft gedood,
verheelt hij ’t niet, de groote heer.†
Gildemeester en Griffier.
Edele Cârudatta, spreek! Laat uw verlegenheid varen; dit is immers een
rechtsgeding.
Cârudatta.
O rechters, hoe zou ik zoo iets kunnen zeggen: „De hetaere is mijn
vriendin”? En toch, mijn jeugd misdoet hierin, niet mijn wandel.
Rechter.
Dit rechtsgeding is vol stoornis,
begeef de schaamte van uw hart;
’t Komt slechts op moed aan; spreek waarheid!
misleiding wordt hier niet aanvaard.
Laat uw schaamte varen, het rechtsgeding vraagt het U.
Cârudatta.
Rechter, met wien heb ik een geding?
Koningszwager (op hoogen toon).
Met mij, met mij hebt ge een geding.
Cârudatta.
Een geding met U is voor mij zeer moeilijk te verdragen.
Koningszwager.
O vrouwenmoordenaar, gij hebt Vasantasenâ gedood, die met honderden
juweelen was versierd, en thans verheelt gij het, daar gij een
aartsbedrieger zijt.
Cârudatta.