Vidûshaka.
Wat, deze?
Hoveling.
Dat kwaad zij verre!
een’, onafhankelijk van jeugd.
Zij verdween—deze aanziende
voor haar, misduidden wij haar aard.
In elk geval moet gij dit aanvaarden—het is al, wat wij tot verzoening
kunnen aanbieden. (Met deze woorden legt hij het zwaard af en valt hem
met opgeheven handen te voet.)
Vidûshaka.
Brave man, sta op, sta op! Daar ik den stand van zaken niet kende, deed
ik U verwijten, maar nu ik dien ken, vraag ik vergiffenis.
Hoveling.
Aan U moet immers hier vergiffenis worden gevraagd. Dus zal ik opstaan
op een voorwaarde.
Vidûshaka.
U heeft slechts te spreken.
Hoveling.
Indien ge, wat hier is gebeurd, niet aan den edelen Cârudatta zult
vertellen.
Vidûshaka.
Ik zal het niet vertellen.
Hoveling.
Dez’ uw welwillendheid, Brahmaan,
door mij eerbiedig wordt aanvaard;
Gewapend zijn wij verwonnen
door U, met wapenen der deugd.
Koningszwager (wrevelig).
Waarom zijt gij toch, Meester, dien ellendigen Brahmanenjongen te voet
gevallen, zoo erbarmelijk de handen tot hem opheffend?
Hoveling.
Ik ben bevreesd.
Koningszwager.
Voor wien zijt ge bevreesd?
Hoveling.
Voor Cârudatta’s deugden.
Koningszwager.
Wat zijn wel de deugden van hem, in wiens huis men niet eens te eten
krijgt?
Hoveling.
Spreek niet aldus!
Vriendschap met ons-gelijken hem vermag’ren deed
En hij heeft niemand met zijn rijkdom ooit gekrenkt.
Gelijk een meer, nog in den zomer waterrijk,
Zoo is ook hij, lesschend der menschen dorst, verdroogd.
Koningszwager (met ergernis).
Wie is die zoon eener geboren slavin?
Een dapper held? Pându’s zoon Çvetaketu?
De telg van Râdhâ? Râvan’, Indra’s zone?
Of die bij Kuntî werd verwekt door Râma?
Of Açvatthâman? Dharma’s zoon Jatâyu?*†
Hoveling.
Dwaas, die Cârudatta is immers:
Der behoeftigen Wenschboom*,
door zijn deugdvruchten buigend,
der rechtvaardigen gastheer,
De spiegel der geleerden,
der wellevendheid toetssteen,
zee, met vloed van karakter,†
Niet-verachtend, weldadig,
een schatkist van mannendeugd,
edelaardig en vriendelijk;
Hij alleen leeft in waarheid,
roemvol door zijn deugdzaamheid,
terwijl and’ren slechts ad’men.
Laten wij dan vanhier gaan.
Koningszwager.
Zonder Vasantasenikâ?
Hoveling.
Vasantasenâ is verdwenen.
Koningszwager.
Hoe is dat mogelijk?
Hoveling.
Als van den blinde het gezicht, het verstand des dwazen,
Als van den kranke het gedijen, des tragen voorspoed,
Bij zwak geheugen en bij hartstocht de hoogste wijsheid,
Is zij verdwenen, nauw bereikt, als bij haat de wellust.
Koningszwager.
Zonder Vasantasenikâ zal ik niet gaan.
Hoveling.
Hebt ge dan dit nooit gehoord:
Aan den paal houdt men d’olifant,
aan de teugels houdt men het ros,
En aan het hart houdt men de vrouw:
waar dit niet is, kan men wel gaan.
Koningszwager.
Indien gij wilt gaan, ga dan. Ik zal niet gaan.
Hoveling.