Cârudatta.
Wel!
Wie is dat, die op zulk tijdstip,
nu ’k in den strik des Doods verwijl,
Gelijk, als droogte ’t graan† teistert,
een regenwolk—verschenen is!
Nu, ge hebt het vernomen!
Niet bevreesd voor den dood ben ik,
maar zie, geschandvlekt is mijn naam!
Gezuiverd toch, is mij ’t sterven
als de geboorte van een zoon.
En nog dit:
Hij, wien ’k geen vijandschap aandeed,
nietig, van al te klein verstand,
Heeft als een pijl, met gif besmeerd,
zelf een besmette, mij besmet.
Beide Cândâla’s.
Sthâvaraka, spreekt ge waarheid?
Slaaf.
Ik spreek waarheid. Ook ben ik, opdat ik het niemand zou vertellen, met
een keten geboeid en op den omgang van den paleistoren opgesloten.
Koningszwager (opkomend, verheugd).
Met zuur en bitter vleesch gespijsd, met groente, soep en visch,
Genoot ik rijstebrij en rijst van rijst aan eigen disch.†
(Luisterend.) Van een gebarsten koperen klok is het geluid van de stem
der Cândâla’s en daar de luide klank van doodstrom en pauken wordt
gehoord, maak ik daaruit op, dat de armoedige Cârudattaka naar de
plaats der terechtstelling wordt gevoerd. Dat wil ik zien. De ondergang
van een vijand is waarlijk een groote voldoening voor het hart. Ook heb
ik gehoord, dat wie een vijand ziet ombrengen, in een volgende geboorte
geen oogziekte zal hebben. Ik heb immers evenals een worm, die in den
knoop van een lotusstengel† is doorgedrongen, een leemte zoekend, den
ondergang van den armoedigen Cârudatta bewerkt. Thans wil ik op den
omgang van den toren van mijn paleis klimmen, om mijn heldendaad te
aanschouwen. (Doet aldus en ziet rond.) Wel, wel, wat een gedrang van
menschen†, omdat die armoedige Cârudatta wordt ter dood gebracht;
wanneer eens een voortreffelijk, uitstekend mensch, zooals wij, werd
ter dood gebracht, hoe zou het dan wel zijn! (Uitziende.) Wel, daar
wordt hij, als een jonge stier opgetooid, in zuidelijke richting
heengevoerd. Maar waarom is nabij den omgang van mijn paleistoren de
bekendmaking verstomd† en opgehouden? (Toeziende.) Hoe, en de slaaf
Sthâvaraka is niet hier! Als hij maar niet, vanhier weggeloopen, het
geheim heeft verbroken. Laat ik hem zoeken. (Hij daalt af en komt
nader.)
Slaaf (hem ziende).
Hooge heeren, daar is hij zelf!
Beide Cândâla’s.
Gaat uit den weg, maakt ruimte,
sluit de poort, weest stil! Daar nadert
Een booze stier, gewapend
met der driestheid spitse hoornen.
Koningszwager.
Hé daar, ruimte, maakt ruimte! (Nader gekomen.) Zoontje, Sthâvaraka,
slaaf, kom, laten we gaan.
Slaaf.
Wel, wel, onedele, na Vasantasenikâ te hebben gedood, zijt ge nog niet
tevreden en nu zijt ge van zins, dien Wenschboom van wie hem lief zijn,
den edelen Cârudatta te doen sterven.
Koningszwager.
Ik, die een pot met paarlen gelijk, dood immers geen vrouw!
Allen.
Ja, door U is zij gedood, niet door den edelen Cârudatta.
Koningszwager.
Wie zegt dat?
Allen (op den slaaf wijzend).
Wel, deze brave man.
Koningszwager (ter zijde, bevreesd).
O wee, o wee! ik heb den slaaf Sthâvaraka niet goed geboeid.† En hij
was immers getuige van mijn misdaad. (Denkt na.) Laat ik zóó doen.
(Luid.) Het is onwaar, hooge heeren. Wel, dezen slaaf heb ik bij het
stelen van goud gevat, geslagen en gedood; is dan alles waar, wat hij
zegt, dien ik mij dus tot vijand heb gemaakt? (Hij reikt heimelijk den
slaaf een armband toe; zacht†.) Zoontje, Sthâvaraka, slaaf, neem dit en
spreek anders.
Slaaf (hem aannemend).
Ziet, ziet, hooge heeren, met goud wil hij mij verlokken.
Koningszwager (hem den armband ontrukkend).
Dit is het goud, waarom ik hem heb geboeid. (Toornig.) Zie, Cândâla’s,
omdat hij, in de schatkamer aangesteld, goud stal, heb ik hem gedood en
geslagen. En wanneer ge het niet gelooft, ziet dan zijn rug maar eens.
Cândâla’s (ziende).
Uitstekend spreekt hij. Wat bazelt niet een slaaf, die zijn meester
niet meer genegen is?†
Slaaf.
Helaas, zóó is het slaafschap, dat voor de waarheid het bij niemand
geloof kan vinden. (Droevig.) Edele Cârudatta, zoo groot is mijn macht!
(Valt hem te voet.)
Cârudatta.
Sta op, o gij, die U ontfermt eens gevallen braven,
Belangloos volgend een gedrag, den verwant betamend.†
Wel groote moeite ge gedaan hebt tot mijn bevrijding,
Maar ’t Noodlot weigert—wat is meer nog van U te eischen?†
Cândâla’s.
Heer, drijf dien slaaf met slagen vanhier.
Koningszwager.
Ga heen dan. (Drijft hem heen.) Nu, Cândâla’s, wat talmt ge, brengt
dezen man ter dood.
Cândâla’s.
Zoo ge haast maakt, breng hem dan zelf ter dood.
Rohasena.
O Cândâla’s, doodt mij, laat vadertje vrij.
Koningszwager.
Doodt hem met zijn zoon.
Cârudatta.
Van dien dwaas kan men alles verwachten. Ga dus, mijn zoon, tot uwe
moeder.
Rohasena.
Wat moet ik dan doen?
Cârudatta.
Ga met uw moeder nog heden, kind, naar een kluizenaarsverblijf,
Dat niet door schuld van uw vader, mijn zoon, ’t U evenzoo verga.
Vriend, ga dus met hem vanhier.
Vidûshaka.
Maar vriend, weet ge dan zoo zeker, dat ik zonder U het leven zal
behouden?
Cârudatta.
Vriend, zoolang uw bestaan onafhankelijk is, past het U niet, het leven
te verlaten.
Vidûshaka (bij zich zelf).
Dat is niet gepast.† En toch, door mijn lieven vriend verlaten, kan ik
niet blijven leven. Dus zal ik den jongen aan de Brahmaansche overgeven
en door afstand van het leven mijn lieven vriend volgen. (Luid.) Nu,
vriend, ik zal hem spoedig wegbrengen. (Onder omhelzingen valt hij hem
te voet; ook de jongen valt weenend ter aarde.)
Koningszwager.
Komaan, zeg ik niet: „Breng Cârudattaka met zijn zoontje om”?
(Cârudatta toont schrik.)
Cândâla’s.
De koning heeft ons immers niet bevolen: „Brengt hem met zijn zoontje
om.” Ga dus heen, jongen, ga heen. (Zij doen hem heengaan.)
Cândâla’s.
Dit is de derde plaats der afkondiging; slaat de trommel. (Verkondigen
het vroeger gezegde.)
Koningszwager (bij zich zelf).
Hoe, de burgers gelooven het niet! (Luid.) Hé daar, Cârudatta,
Brahmanenjongen, dit burgervolk gelooft het niet. Zeg dus met uw eigen
tong: „Door mij is Vasantasenâ omgebracht.” (Cârudatta bewaart het
stilzwijgen.) Hé, Cândâla’s, de kerel spreekt niet, de Brahmanenjongen
Cârudatta. Doet hem dus spreken, door hem met een snerpend stuk
gespleten bamboes of met een ketting te ranselen.
Cândâla (dreigend hem te slaan).
Kom, edele Cârudatta, spreek!
Cârudatta (droevig).
Hoewel vervallen in dez’ Oceaan van ramp,
Bevangt geen sid’ring, geen ontsteltenis mijn geest;
Alleen het vuur verteert mij van der menschen blaam,
Daar ’k zeggen moet: „Door mij is zij gedood.”†
(De koningszwager weder als te voren.)
Cârudatta.
Hoort, burgers!
Door mij is immers, boosaard’ge,
die van geen and’re wereld weet,
Een vrouw of Rati, om ’t even—
de rest zal deze doen verstaan.
Koningszwager.
Omgebracht.
Cârudatta.
Het zij zoo.
Cândâla.
Komaan, het is thans uw beurt om ter dood te brengen.
De tweede.
Neen, de uwe.
De eerste.
Welnu, laten we een berekening maken. (Zij maken herhaaldelijk een
berekening.) Nu, indien het mijn beurt is om ter dood te brengen, dan
moet hij nog een oogenblikje wachten.
De tweede.
Waarom?
De eerste.
Wel, toen mijn vader ten hemel ging, heeft hij tot mij gezegd: „Mijn
zoon, Vîraka, wanneer de beurt der terechtstelling aan U komt, moet gij
den terdoodveroordeelde niet terstond om ’t leven brengen.”
De tweede.
En waarom?
De eerste.
Misschien zal een of ander braaf man geld geven en den veroordeelde
vrij koopen. Misschien wordt den koning een zoon geboren, daardoor†
worden alle veroordeelden in vrijheid gesteld. Misschien verbreekt een
olifant zijn kluister, en wordt in die verwarring de veroordeelde
bevrijd. Misschien heeft er een koningsverwisseling plaats, daardoor
worden alle veroordeelden in vrijheid gesteld.
Koningszwager.
Wat, wat, er zou een koningsverwisseling plaats hebben!
Cândâla.
Kom, laten we een berekening maken, aan wien de beurt der
terechtstelling is.
Koningszwager.
Komaan, brengt Cârudattaka spoedig ter dood. (Na deze woorden blijft
hij met den slaaf afgezonderd staan).
Cândâla.
Edele Cârudatta, des konings bevel draagt schuld, niet wij, Cândâla’s.
Gedenk dan, wat te gedenken valt.
Cârudatta.
Indien mijn goede werken iets vermogen, nu ’k geschandvlekt ben
Door woorden van een booswicht†, door mijn ongelukkig lot, hoe ook,
Dan moge zij, die wijlt in Indra’s huis, of waar z’ ook toeft,
Die smet verdwijnen doen door haren aangeboren aard.
Welnu, waar moet ik thans heengaan?
Cândâla (naar voren wijzend).
Zie, daar vertoont zich de zuider-begraafplaats, bij het zien waarvan
de terdoodveroordeelden spoedig het leven verliezen. Zie, zie:
Van een lijk sleuren, zich rekkend, jakhalzen d’ééne helft in ’t rond,
D’ and’re helft, aan den paal hangend, vertoont een grijns† van
schaterlach.
Cârudatta.