INLEIDING.

Waar in naburige landen van alle eenigszins belangrijke voortbrengselen

der Indische letteren één, ja dikwijls meerdere vertalingen het licht

zagen, valt het te verwonderen, dat ten onzent zelfs de meesterstukken

van die door ouderdom, veelzijdigheid en verhevenheid zoo uitnemende

litteratuur bijna volkomen onbekend bleven. Niet het minst geldt dit

van een tooneelwerk als de Mṛcchakaṭikâ, zóó voortreffelijk door

karakterteekening en levendige handeling, door poëtische schoonheid en

hoogheid van denkbeelden, dat velen haar zelfs stellen boven Kâlidâsa’s

wereldberoemd drama.

Na de Çakuntalâ-vertaling [1] van Dr. H. Kern (met die van het

Mâlavikâgnimitra [2] door Dr. J. van der Vliet het eenige, wat van het

Indisch tooneel in het Nederlandsch werd overgebracht), scheen mij eene

vertaling van de Mṛcchakaṭikâ bovenal gewenscht, waardoor dit

tooneelwerk ook hier te lande die belangstelling moge vinden, die het

zoo ten volle verdient.

Wat het Indisch tooneel in ’t algemeen betreft, meen ik te kunnen

volstaan, met te verwijzen naar hetgeen hieromtrent door prof. Kern is

medegedeeld in de voorrede zijner Çakuntalâ-vertaling [3]; over de

Mṛcchakaṭikâ in ’t byzonder het volgende:

De Mṛcchakaṭikâ wordt in den Proloog genoemd een prakarana, d.w.z. een

drama, waarvan als hoofdkenmerk geldt, dat het onderwerp eigen vinding

is van den dichter. Er is dus geen reden om met Wilson [4] een

historischen grondslag te zoeken, waarop het verhaal van ′Aryaka’s

troonsbestijging zou berusten, dat naast en in verband met de

hoofdhandeling het onderwerp van de Mṛcchakaṭikâ uitmaakt.

Wat den tijd van vervaardiging aangaat, deze is volkomen onzeker; werd

vroeger aan de Mṛcchakaṭikâ een betrekkelijk hooge ouderdom toegekend

[5], de gronden, hiervoor aangevoerd, zijn onvoldoende, zooals door

Pischel werd aangetoond [6], die haar op zijn vroegst in ’t einde der

5de eeuw n. Chr. wil plaatsen [7]; dat de Mṛcchakaṭikâ het oudste is

der ons bewaard gebleven Indische tooneelstukken, wordt bijna algemeen

aangenomen [8].

Even weinig valt met zekerheid omtrent den dichter mede te deelen; wel

wordt in den Proloog als zoodanig een koning Çûdraka genoemd; maar

algemeen is men van oordeel, dat, zooals in Indië niet ongebruikelijk

was, het stuk door den vervaardiger is gesteld op naam van zijn

vorstelijken beschermer. Pischel [9] meent de Mṛcchakaṭikâ te mogen

toeschrijven aan Daṇḍin, den auteur van het Daçkumâracarita [10], die

in de 6de eeuw n. Chr. leefde, een onderstelling, die door L. von

Schröder waarschijnlijk, maar geenszins volkomen zeker wordt genoemd

[11].

De eerste Europeesche vertaling der Mṛcchakaṭikâ verscheen in het voor

de kennis van het Indisch tooneel zoo uiterst belangrijke werk van

Horace Hayman Wilson, waarin, na een uitvoerige verhandeling over het

Drama der Indiërs, de vertaling wordt gegeven van zes tooneelstukken en

een inhoudsopgaaf van drie-en-twintig andere; het eerste der vertaalde

stukken is: „The Mṛichchhakatî or the Toy-cart.” Deze vertaling, waarin

de metrische gedeelten deels in proza, deels in vijfvoetige jamben zijn

overgebracht, mag, hoewel niet altijd juist in het weergeven van den

tekst, met het oog op den tijd, waarin zij ontstond, voortreffelijk

worden genoemd. Van Wilson’s werk verscheen een Duitsche vertaling van

O. L. B. Wolff, een Fransche van Langlois.

Deze laatste diende tot grondslag voor een tooneelbewerking in verzen

door de dichters Méry en Gérard de Nerval, welke den 13den Mei 1850

voor de eerste maal in het Odéon werd opgevoerd en een twintigtal

herhalingen beleefde. Hoewel geprezen om haar poëtische verdiensten,

wijkt deze derdehandsche bewerking te zeer af van het Indische

origineel, om op den naam van vertaling uit het Sanskṛt aanspraak te

mogen maken.

Tien jaar later verscheen de eerste rechtstreeksche vertaling in het

Fransch, van de hand van Hippolyte Fauche; van deze zegt Böhtlingk

[12]: „(Sie) ist wie Alles, was der unermüdliche Fauche übersetzt hat,

überaus mangelhaft.”

Even ongunstig is het oordeel van Paul Regnaud, die in 1876 een nieuwe

Fransche vertaling het licht deed zien, die door juist weergeven van

den Sanskṛttekst, als zuiver wetenschappelijke vertaling een hooge

plaats inneemt. Regnaud’s werk, waarin de verzen doorloopend in proza

worden weergegeven, is van uitvoerige aanteekeningen voorzien,

waaronder belangrijke uittreksels zijn opgenomen uit den commentaar van

den Mahratschen geleerde Lallâ Dîkshita.

Ten slotte zij nog vermeld een tweede tooneelbewerking van Victor

Barrucand, in vijf bedrijven en geheel in proza, die met het Indische

stuk niet veel meer dan den titel en het verhaal gemeen heeft [13].

De eerste rechtstreeksche Duitsche vertaling was die van Otto

Böhtlingk, welke, kort na die van Regnaud verschenen, als

wetenschappelijke vertaling, zich uitsluitend ten doel stellende het

nauwkeurig weergeven van het origineel, onovertroffen is, echter juist

daardoor zich niet eigent tot verbreiding in ruimeren kring.

Hiertoe leende zich veeleer de smaakvolle vertaling van Ludwig Fritze,

ook van elders als uitstekend vertolker der Indische poëzie bekend;

zijn geheel metrische overbrenging, ongeveer gelijktijdig met

Böhtlingk’s vertaling ontstaan, kon zich nog een vergelijking met deze

ten nutte maken.

Hoewel na deze beide vrij overbodig, verscheen nog een Duitsche

bewerking van Dr. H. C. Kellner, geheel in proza, met uitzondering van

enkele berijmde verzen. Vertaler stelt zich ten doel, het Indische stuk

in al zijn levendigheid van taal weer te geven en voor Duitsche lezers

zoo verstaanbaar mogelijk te maken, maar vervalt daardoor vaak tot een

wijze van zeggen, die zijn werk eerder een parodie dan een vertaling

van de Mṛcchakaṭikâ doet schijnen [14].

Nog zij een Duitsche tooneelbewerking genoemd van Emil Pohl, die, te

oordeelen naar hetgeen Dr. Kellner in de inleiding zijner vertaling

daaromtrent mededeelt, mij niet dien uitbundigen lof schijnt te

verdienen, waarmede zij te zelfder plaatse wordt vereerd [15] en een

verkorte bewerking van Michael Haberlandt, door Kellner in zijn

„Schlussbemerkung” vermeld.

De Mṛcchakaṭikâ werd in het Russisch vertaald door Caj. Kossowitsch, in

het Deensch door E. Brandes en in het Italiaansch door Michele Kerbaker

[16].

Waar nu mijn plan was, deze reeks van vertalingen met een Nederlandsche

te vermeerderen, kwam het mij voor, dat noch een proza-vertaling, als

van Böhtlingk en Regnaud, noch een geheel metrische, als van Fritze,

een juisten indruk kan geven van het origineel, en dus de afwisseling

van gebonden en ongebonden stijl, zoo kenmerkend voor het Indisch

drama, ook in de vertaling moest blijven bewaard; bij het weergeven der

poëtische gedeelten was mijn streven de oorspronkelijke metra, zooveel

mogelijk, te behouden [17].

Tot grondslag van deze vertaling diende de uitstekende uitgave van A.

F. Stenzler (Bonn 1847) met gebruikmaking van de laatste

Calcutta-editie (1891), bezorgd door den Pandit Jîvânanda Vidyâsâgara

[18].

Een nauwkeurige vergelijking van mijn vertaling met die van Böhtlingk

gaf niet zelden tot verandering van inzicht aanleiding; ook de

vertalingen van Fritze, Regnaud en Wilson werden, hoewel niet geregeld,

door mij geraadpleegd.

Van alle plaatsen, waar ik een andere lezing boven die van Stenzler

verkoos, als ook van die, waar mijn vertaling belangrijk van die van

Böhtlingk afwijkt, wordt in de Aanteekeningen mededeeling gedaan en

zooveel mogelijk rekenschap gegeven. Onder „Noten” heb ik vereenigd,

wat mij voor den lezer tot goed begrip noodzakelijk scheen [19].

En thans, nu ik met dit proefschrift mijn academie-jaren hoop te

besluiten, voel ik mij gedrongen, mijn hartelijken dank te betuigen aan

hen, die gedurende dien tijd mijn studie hebben geleid en mij

voorgelicht met hunne kunde en ervaring.

Allereerst zij een woord van dankbare herinnering gewijd aan de

nagedachtenis van prof. Allard Pierson, wiens aangenaam onderricht,

uitgebreide kennis en groote voorkomendheid hem onvergetelijk maken

voor allen, die het voorrecht hadden, hem te kennen.

Aan U, hooggeleerde heeren, C. C. Uhlenbeck, J. te Winkel, H. C. Rogge,

J. Verdam, C. M. Kan en A. H. G. P. van den Es mijn welgemeenden dank

voor uw wetenschappelijke leiding niet alleen, maar ook voor de blijken

van belangstelling en vriendschap, die ik zoo menigmaal ondervond en in

’t byzonder aan U, mijn hooggeachte promotor, prof. C. C. Uhlenbeck,

onder wiens leiding ik de taal en litteratuur van Indië leerde kennen

en liefhebben, wiens raad en bijstand aan dezen arbeid zoozeer ten

goede kwam.

Ook den Leidschen hoogleeraar Dr. H. Kern breng ik mijn byzonderen dank

voor de groote welwillendheid mij betoond; moge het Z.H.G. niet

berouwen, een reeds aangevangen vertaling van de Mṛcchakaṭikâ ter zijde

te hebben gelegd met het oog op mijn arbeid.

Mijn dank ook den heer F. Hart Nibbrig, die de teekening der hoofden en

vignetten bereidwillig op zich nam en deze niet gemakkelijke taak op

zoo uitstekende wijze voleindde en aan allen, die op eenigerlei wijze

mij bij de totstandkoming van dit werk hun hulp en medewerking hebben

verleend.

Het leemen wagentje: Indisch tooneelspel uit Sanskṛt en Prākṛt in het Nederlandsch vertaald · 第 3 / 131 题