Candanaka.
Laat men het zeggen, laat men het zeggen.
(Vîraka maakt een veelbeteekenend gebaar.)
Candanaka.
Nu, wat is dat?
Vîraka.
Wel, luister, luister!
Van U ook is wel d’afkomst rein te noemen,
uw moeder was een pauk, een trom uw vader,
En lastermond! een tamboerijn uw broeder,
zóó is het, dat gij hoofdman zijt geworden.†
Candanaka (toornig).
Ik, Candanaka, een leerlooier†! Visiteer dan den wagen.
Vîraka.
Hé, voerman, keer den wagen; ik moet hem visiteeren.
(De slaaf doet aldus. Vîraka doet, of hij op den wagen wil klimmen.
Candanaka grijpt hem onverhoeds bij de haren, werpt hem neer en schopt
hem met den voet.)
Vîraka (toornig opstaande).
Hoe nu! terwijl ik, geen kwaad vermoedend, het bevel des konings
uitvoer, ben ik onverhoeds door U bij de haren gegrepen en met den voet
geschopt! Maar luister, indien ik niet midden in de rechtszaal U doe
vierendeelen, dan heet ik geen Vîraka.
Candanaka.
Nu, ga naar het paleis of naar de rechtszaal; wat geef ik om U,
hondegezicht†!
Vîraka.