Dat is door ’t spel van mij gemaakt,
wat aller menschen afschuw wekken moet;
Maar thans met openlijk gelaat,
bewandel ik den koninklijken weg.
(Rumoer achter het tooneel.)
Wrijfmeester (luisterend).
Hé, wat is dat? (In de ruimte.) Wat zegt ge? „Die kwaadaardige olifant
van Vasantasenâ, „Zuilenbreker”, is losgebroken!” Wel, dan wil ik eens
naar den bronstigen olifant der Jonkvrouw gaan zien. Maar kom, wat heb
ik daarmede noodig! zooals ik besloten heb, zal ik doen. (Af.)
(Dan treedt, zonder het gordijn weg te schuiven, Karnapûraka op,
verheugd en met een buitengewoon schitterend gewaad.)
Karnapûraka.
Waar, waar is de Jonkvrouw?
Slavin.
Booswicht, wat is de oorzaak van uw opgewondenheid, dat gij de
Jonkvrouw, die zich vlak voor U bevindt, niet ziet?
Karnapûraka (haar ziende).
Jonkvrouw, ik groet U.
Vasantasenâ.
Karnapûraka, gij verschijnt met zoo verheugd gelaat, wat is er toch?
Karnapûraka (vol trots).
Jonkvrouw, ge hebt wat gemist, dat ge thans Karnapûraka’s
heldhaftigheid niet hebt gezien!
Vasantasenâ.
Karnapûraka, wat dan?
Karnapûraka.
De Jonkvrouw luistere. Die kwaadaardige olifant der Jonkvrouw,
„Zuilenbreker”, had zijn paal verbrijzeld, zijn kornak gedood, en,
groote opschudding veroorzakend, liep hij de hoofdstraat af. Toen
riepen de menschen intusschen:
Haalt weg het kindervolk,
snel, klimt in boomen en op daken!
Ziet ge dan niet, dat van de stad
een booze olifant hierheen komt loopen?
En ook:
Spangen sling’ren van de voeten,
gordels scheuren, fonk’lend van juweelen,
En armbanden al te heerlijk,
schit’rend met een net van paarlenloten.
Toen gebeurde het, dat die kwade olifant,—met snuit, pooten en
slagtanden zich in Ujjayinî dompelend als in een bloeienden
lotus-vijver,—een bedelmonnik aantrof. Toen men zag, hoe deze, wien
staf, nap en pot ontvielen, door hem met water overgoten en tusschen
zijn tanden werd neergeworpen, toen riep men weer: „Ach, de bedelmonnik
wordt gedood!”
Vasantasenâ (ontsteld).
O, die nalatigheid!
Karnapûraka.
Stel U gerust: de Jonkvrouw luistere slechts. Toen ziende, hoe hij, een
bundel van verscheurde ketenen medesleepend, den monnik tusschen zijn
tanden greep en ophief, heb ik, Karnapûraka—of neen! de slaaf,
Jonkvrouw, door U met kluiten rijst gevoed—met den linkervoet een
speelrekening uitwisschend*, snel van de markt een ijzeren staaf
genomen en den olifant tot mij geroepen.
Vasantasenâ.
En toen? en toen?
Karnapûraka.
Toornig† den olifant, die wel een top scheen van ’t Vindhya-gebergte,
Treffend, bevrijdd’ ik den monnik, zich tusschen zijn tanden bevindend.
Vasantasenâ.
Ge hebt wèl gedaan. En toen?
Karnapûraka.
Toen, Jonkvrouw, riep geheel Ujjayinî, dat als een ongelijk geladen
schip naar ééne zijde overhelde, niet anders dan: „Bravo, Karnapûraka,
bravo!” Toen, Jonkvrouw, heeft iemand, die vergeefs die plaatsen
betastte, waar men sieraden draagt, ten hemel ziende en diep zuchtend,
mij dezen mantel omgeworpen.
Vasantasenâ.
Karnapûraka, zie eens of die mantel met jasmijngeur is doortrokken of
niet.
Karnapûraka.
Jonkvrouw, door den reuk van het bronstzweet kan ik den geur niet goed
waarnemen.
Vasantasenâ.
Zie dan eens naar den naam.
Karnapûraka.
Hier staat de naam; de Jonkvrouw leze zelf. (Overhandigt haar den
mantel.)
Vasantasenâ.
Van den edelen Cârudatta! (Als zij dit gelezen heeft, neemt zij hem vol
verlangen en doet hem om.)
Slavin.
Karnapûraka, de mantel staat de Jonkvrouw goed.
Karnapûraka.
Och, de mantel staat de Jonkvrouw goed.
Vasantasenâ.